|
Een volgende schakelmogelijkheid is
parallelschakeling. We zullen dit noteren met het teken
"//". |
|
|
|
Werkwijze
:
Schakelen we een weerstand van 10
kΩ en
één van 20 kΩ in parallel (zie het schema hiernaast): wat is de waarde van de
vervangingsweerstand ?
Misschien is het niet duidelijk, maar deze
waarde is lager dan elk van de samenstellende weerstanden
!
Wat is hiervan de verklaring ?
De
stroom uit punt A zal zich verdelen over de beide weerstanden.
Nadien vloeien beide stromen terug samen naar B. Er is geen enkele
reden dat de stroom in A verschillend zou zijn dan in B.
Bedenk tevens dat de spanning die men zou aanleggen over A en B
voor beide weerstanden identiek is. Anders uitgedrukt I = I1 +
I2 |
 |
|
Vereenvoudigde benadering voor de //
schakeling: |
Rt =
R1 X
R2
R1 + R2 |
|
|
|
Wat verder uitgediept
:
De totale stroom is gelijk aan de som der
deelstromen
Omdat het om breuken gaat, is de uitwerking wat
moeilijker maar toch duidelijk. |
In het bijzonder geval van twee
weerstanden:
1
1xR2 + 1xR1
R2 + R1 --- = --------------------
= ------------ Rt
R1 x R2
R1 x R2
Verder uitgewerkt geeft dat :
Rt =
R1 X R2
R1 + R2
Met andere woorden: de totale
weerstand is de verhouding van het produkt op de som ( enkel voor twee
weerstanden ). Bij meer dan twee weerstanden kan je ze twee per twee nemen
en zo uitwerken. |
|
|
|
Is dit wat te moeilijk, geen nood hier volgt
een voorbeeld:
R1 = 50 Ω R2 = 100 Ω R3 = 200
Ω
Wat is het resultaat ? ( We weten al dat het resultaat kleiner
dan 50 Ω zal zijn)
1
1
+
1 + 1 --
= ----
---- -----
herleiden tot gemeenschappelijke
noemer: Rt 50
100
200
1
1 x 100 x 200 +
1 x 50 x 200
+
1 x 50 x 100 ---
=
----------------
------------------
----------------- Rt
50 x 100 x 200
50 x 100 x 200
50 x 100 x
200
1
20000 + 10000
+ 5000
35
000
35 --- =
------------------------------------ =
-------------
= ----- Rt
1 000 000
1
000
000
1000
Om Rt te kennen keren we de breuk om :
Rt =
1000/35 = 28,57 Ω |
|
|
|
Wat commentaar :
1 - het is wat langer en
moeilijker om te doen.
2 - de kans op een fout is wat
groter.
3 - het resultaat MOET in elk geval
kleiner zijn dan gelijk welke van de // geschakelde
weerstanden. |
|
|
|
Nog niet gedaan ... wat met de
stroom ? |
|
|
|

|
Eigenlijk hebben we dat al gezien, maar dit
is belangrijk genoeg om
herhalen:
U
U IR1 = -------
IR2 =
--------
R1
R2 |
|
|
|
Tot besluit nog een
praktijkvoorbeeld |
|
Nemen we een spanningsbron V van 60 V die
twee weerstanden in // voedt. R1 = 100 Ω R2 = 150 Ω Hoe groot is
de stroom doorheen elke weerstand en welke waarde van stroom wordt uit de
bron betrokken ?
We kunnen ofwel de stroom in elke weerstand
bepalen en de som maken, ofwel de vervangingsweerstand berekenen en
bepalen welke stroom de bron door deze stuurt. Werken we volgens methode
1. U
60 IR1 = ---
= ------
= 0,6
A R1
100
U
60 IR2 = ---
= ------
= 0,4
A R2
150
De totaalstroom = 0,6 + 0,4 = 1 A |
 |
|
|
Controle van de berekening,
maar volgens methode 2 :
R1
R2 100 x 150
15 000 Rt
= -------- =
------------ = --------- = 60
Ω R1 + R2
100 + 150
250
U
60 I total = ------- = ------ = 1
A
Rt
60 |
|
|
|
|