|
Vooraf op rekenkundig
vlak |
|
U = RI
|
U I =
-----
R |
U R =
-----
I |
|
U : de spanning in
Volt
|
I : de
stroom in Ampere
|
R : de weerstand
in ohm
|
|
Uitwerking:
Geval nr. 1 : We
verbinden een weerstand van 10 Ω met een batterij
van 12 V gelijkspanning. Wat zegt ons deze wet ?
|
 |
Antwoord
:
Eenvoudig: I = U/R , wat ons
geeft: I = 12/10 dit is: 1,2 A Als we dit bij
middel van een stroommeter zouden controleren, zouden we inderdaad 1,2 A
aflezen.. |
|
|
|
Geval nr. 2 :
Een onbekende weerstand wordt met een batterij van 12 V verbonden. We
meten een stroom van 0,6 A of anders uitgedrukt 600mA. Wat is de waarde
van de weerstand R ? |
|
Antwoord :
U
en I zijn bekend, we hoeven enkel de wet toe te passen :
R =
U/I
R = 12 / 0,6 of 20 Ω
Merk het
rode pijltje op. Het geeft de zin van de stroom aan in deze kring. Uit de
tekening merk je tevens dat de stroom die door de kring (batterij, draad
en weerstand vloeit), 0,6 A bedraagt. Merk eveneens op dat alles in
"SERIE" staat. |

|
|
Geval nr 3
: Een weerstand van 12 Ω wordt op een onbekende batterij aangesloten. Een stroom van 2 A
wordt gemeten. Wat is de spanning van de batterij ?
|
 |
Antwoord :
I
et R zijn bekend, het volstaat toe te passen:
U = R .
I
U = 12 x 2 ofwel 24 V |