1- In het UHF-gebied kunnen soms grote afstanden overbrugd worden ten gevolge van:

temperatuurinversies grote zonnenvlekken-activiteit reflecties tegen de geïoniseerde D-laag reflecties tegen geïoniseerde F-lagen
 

2 - Een transformator heeft primair 2000 windingen en secundair 1000 windingen.

 

    Indien de primaire spanning 230 volt bedraagt is de secundaire spanning: 

460 V 155 V 115 V 55 V
 

3 - De verkortingsfactor is er bij een stuk coaxiale kabel de oorzaak van dat de verhouding,

     werkelijke lengte / elektrische lengte (lengten uitgedrukt in dezelfde eenheid): 

groter is dan 1 gelijk is aan 1 kleiner is dan 1 afhankelijk is van de kabeldemping
 

4 - Bewering 1:

      Een dubbelzijband AM-zender zendt een muzieksignaal uit.

      De klasse van uitzending is A3C.

      Bewering 2:

      Via een FM-zender worden met de hand geseinde morsesignalen verzonden.

      De klasse van uitzending is F1E.

 

      Wat is juist? 

geen van beide beweringen bewering 1 en bewering 2 alleen bewering 1 alleen bewering 2
 
5 - Radioverbindingen in de 2-meter band tussen stations op aarde vinden in het algemeen plaats via de:
troposfeer stratosfeer biosfeer ionosfeer
 
6 - Van een niet aangesloten kring is de resonantiefrequentie te bepalen met een:
dipmeter universeelmeter digitale voltmeter frequentieteller
 
7 - Een radiozendamateur laat voor een georganiseerd radioamateur-peilevenement zijn zender werkend achter in het bos:

     Dit is:
toegestaan niet toegestaan uitsluitend toegestaan onder voorwaarde dat Agentschap Telecom daarvan vooraf in kennis is gesteld uitsluitend toegestaan als hiervoor toestemming van Agentschap Telecom is verkregen
 
8 - De spanning over de diode is:
    
0,6 V 0,8 V 2 V 1,2 V
 
9 - Voor optimale verstaanbaarheid van spraak dient via een telefoniezender een frequentieband overgebracht
     te worden die ligt tussen:
2000 en 4000 Hz 1000 en 2000 Hz 300 en 3000 Hz 100 en 1000 Hz
 
10 - Als er rondom een kortegolf-zendantenne een dode zone aanwezig is, dan is de zendfrequentie:
gelijk aan de kritische frequentie lager dan de kritische frequentie hoger dan de kritische frequentie lager dan de laagst bruikbare frequentie
 
11 - een EZB-zender is belast met een kunstantenne (dummy load) en wordt met spraak gemoduleerd.
        De ingang van een oscilloscoop is aangesloten op deze dummy load.
        De ingangsgevoeligheid van de oscilloscoop bedraagt 20 volt/schaaldeel.
        

         De Peak Envelope Power (PEP) bedraagt:
200 W 50 W 400 W 100 W
 
12 - Het door de antenne effectief uitgestraald vermogen (erp) is:
     
1 W erp 0,1 W erp 1000 W erp 10 W erp

13 - De beste methode om een ontvanger te beschermen tegen de effecten van een nabije blikseminslag is:
de ontvangerkast goed aarden de ontvanger loskoppelen van antenne en lichtnet de ontvanger uitschakelen de aardlekschakelaar uitschakelen
 
14 - De polarisatierichting van een radiogolf:
staat in eerste instantie loodrecht op het stralende element van de zendantenne is afhankelijk van de antenneversterking is in eerste instantie evenwijdig aan het stralende element van de zendantenne is afhankelijk van de hoogte van de zendantenne
 

15 - Een radiozendamateur zendt een signaal uit met een bandbreedte van 2200 kHz.

 

       Dit is: 

alleen toegestaan in amateurbanden vanaf 430 MHz en hoger in de 2-meter amateurband toegestaan in geen enkele amateurband toegestaan in alle amateurbanden toegestaan
 

16 - De schakeling stelt voor:

       

een buffer (scheidingstrap) een fasemodulator een frequentiemodulator een variabele frequentie oscillator

 

17 - Voor het versterken met een zo hoog mogelijk rendement van een CW telegrafiesignaal wordt de zendereindtrap

        ingesteld in:

klasse C klasse B klasse A/B klasse A
 
18 - De zwevings-oscillator (BFO) van een superheterodyne-ontvanger is nodig bij de ontvangst van:
televisie (A3F) FM (F3E) CW (A1A) AM (A3E)
 
19 - Een zender is afgesloten met een belastingsweerstand van 50 Ω
       

        Het rendement van de eindversterker is ongeveer:
60 % 20 % 50 % 24 %
 

20 - De kantelfrequentie van dit filter bedraagt ongeveer:

        

3300 Hz 1000 Hz 50 Hz 500 Hz
 
21- Laagfrequentdetectie wordt veroorzaakt door:
onvoldoende frequentiestabiliteit onvoldoende harmonischen-onderdrukking van de zender niet-lineaire effecten van halfgeleiders niet-lineaire zendereindtrappen
 
22 - In R1 wordt 36 watt aan warmte ontwikkeld.
     

      De warmte ontwikkeling in R2 bedraagt:
36 W 72 W 9 W 18 W
 

23 - De Q-factor van een spoel heeft vooral betrekking op de:

verhouding diameter spoel/diameter draad hoogst mogelijke resonantiefrequentie eigen capaciteit van de spoel bereikbare selectiviteit
 

24 - Een in een enkele laag gewikkelde spoel wordt vervangen door een spoel die 10% langer is.

        De overige eigenschappen (aantal windingen, diameter, kernmateriaal) blijven gelijk .

 

      De zelfinductie is nu: 

10% groter ongewijzigd 20% groter kleiner
 

25 - De regellus is in stabiele toestand (gelocked).

        

        Welke bewering is juist? 

de frequentie op punt A is lager dan de frequentie op punt B de frequentie op punt A is hoger dan de frequentie op punt B de frequenties op de punten A en B zijn gelijk de spanning op de punten A en B zijn altijd in fase
 

26 - De LF-begrenzer in een FM-zender dient om:

de frequentiezwaai binnen vastgestelde grenzen te houden het frequentieverloop van de zender te beperken de uitstraling van harmonischen te begrenzen te hoge modulatiefrequenties te verwijderen
 

27 - Een zendereindtrap, ingesteld in klasse B, wordt maximaal uitgestuurd door een 100% in amplitude gemoduleerde

       draaggolf.

       Het uitgangsvermogen van de draaggolf is 100 watt. 

 

      Als deze eindtrap maximaal wordt uitgestuurd door een enkelzijbandsignaal, bedraagt het uitgangsvermogen (PEP): 

100 W 50 W 400 W 200 W

28 - De maximaal toelaatbare stroom die continu door een 10 watt weerstand van 100 ohm mag lopen is:
10 A 0,01 A 1 A 0,1 A
 

29 - Juist is:

        

X=0 en Y=0 X=1 en Y=0 X=1 en Y=1 X=0 en Y=1
 
30 - Een ampèremeter heeft een inwendige weerstand van 20 ohm.
        Met een parallelweerstand van 5 ohm is het meetgebied 20 mA.
       

       Het meetgebied van de meter zonder parallelweerstand is:
5 mA 4 mA 15 mA 16 mA
 

31 - Een voeding wordt beveiligd met een of meer smeltveiligheden in de netleiding.

       Dit wordt in de praktijk gedaan met: 

een snelle en een trage zekering in serie een trage zekering een snelle zekering een snelle en een trage zekering parallel
 

32 - Het lichaamsdeel dat het snelst beschadigd kan worden door de invloed van elektromagnetische golven met frequenties

        boven de 400 MHz is/zijn: 

de hersenen de nieren de hand het hart
 

33 - Een AM-zender wordt gemoduleerd met spraak.

       De klasse van uitzending is: 

A3E F3A J1B F1D
 
34 - De spanning over de weerstand Rc is.
      
19,8 V 20 V 0,2 V 9,8 V
 

35 - Dit is het schema van een:

        

hoogdoorlaatfilter frequentieonafhankelijk filter bandfilter laagdoorlaatfilter
 
36 - In de "gebruiksbepalingen" wordt onder het radiostation verstaaan
de radiozendapparaten op het vaste adres een of meer radiozendapparaten met uitzondering van radiozendapparaten die niet op het vaste adres staan opgesteld een of meer radiozendapparaten met de daartoe behorende antenne-inrichtingen een of meer radiozendapparaten met de daarbij behorende ontvangers
 

37 - Een luchtcondensator bestaat uit 2 koperplaten.

        De oppervlakte van deze platen wordt 2 x zo groot gemaakt.

 

       De capaciteit zal: 

verdubbelen gelijk blijven 4 x zo groot worden halveren
 

38 - Bewering 1:

    Een dubbelzijband AM-zender wordt gemoduleerd met een spraaksignaal.

       De klasse van uitzending is A3E.

       Bewering 2:

       In een zender wordt fasemodulatie toegepast voor het uitzenden van een datakanaal.

       De klasse van uitzending is G3E.

 

       Wat is juist? 

alleen bewering 2 alleen bewering 1 bewering 1 en bewering 2 geen van beide beweringen
 
39 - De dioden hebben gelijke doorlaatkarakteristieken maar de belastbaarheid is verschillend.
      
        Kies uit de alternatieven de combinatie van hoogste Uuit en grootste Iuit die de schakeling kan leveren
A B C D
 

40 - De dode zone is het gebied tussen:

twee gereflecteerde golven de antenne en de dichtstbijzijnde plaats waar de gereflecteerde golf aanwezig is het eind van het grondbereik en de dichtstbijzijnde plaats waar de gereflecteerde golf aanwezig is de antenne en de reflecterende ionosfeerlaag
 

41 - De uitgangsspanning Uuit  is:

        

+6,6 V -5,6 V -1 V +1 V
 

42 - De lekstroom van een diode:

neemt af bij temperatuurverhoging neemt toe bij temperatuurverhoging is alleen afhankelijk van de spanning is niet afhankelijk van de temperatuur
 
43 - Yagi-antennes bevatten zogenaamde parasitaire elementen.

        Als ze op de juiste manier geplaatst zijn:
verhogen ze de versterking (gain) en de voor/achterverhouding verhogen ze alleen de versterking (gain) verbeteren ze alleen de voetpunt-impedantie verhogen ze alleen de voor/achterverhouding
 
44 - Het optreden van chirp kan worden voorkomen door:
de antenne zwaarder met de zender te koppelen een hoogdoorlaatfilter toe te passen de voedingsspanning van de oscillator te stabiliseren een laagdoorlaatfilter toe te passen
 

45 - De maximale doorlaatstroom in een halfgeleiderdiode wordt begrensd door de:

maximale sperspanning doorlaatspanning kristaltemperatuur omgekeerde EMK
 
46 - Om een hoogohmige antenne aan te passen aan een voedingslijn met lagere impedantie, wordt een "stub" toegepast.
        

        Wat is juist:
lengte 1: 1/2 lambda;
     einde A: kortgesloten
lengte 1; 1/4 lambda
     einde A; open
lengte 1; 1/4 lambda
     einde A; kortgesloten
lengte 1; 1/8 lambda
     einde A; open
 
47 - Definitie zendvermogen:
        Het door de direct met de antenne-inrichting te koppelen trap van het radiozendapparaat afgegeven gemiddeld vermogen,
        gerekend over een periode van de (...X...) tijdens het maximum van de omhullende (Peak Envelope Power).

       Op de plaats (...X...) moet staan:
laagfrequente ingangswisselspanning hoogfrequente ingangswisselspanning laagfrequente uitgangswisselspanning hoogfrequente uitgangswisselspanning
 
48 - Een radiobuis staat ingesteld in klasse A.

      Bij sturing met een sinusvormig signaal is de anodestroom aanwezig gedurende:
de gehele periode een derde periode twee derde periode de halve periode
 

49 - Voor het verkrijgen van een 10 volt- en een 30 volt-meetgebied moeten R1 en R2 zijn:

        

100 kΩ en 297 kΩ 97 kΩ en 200 kΩ 97 kΩ en 297 kΩ 100 kΩ en 197 kΩ
 
50 - In de algemene bepalingen van de Telecommunicatiewet komt de volgende definitie voor:
        "(...X...): apparaten die naar hun aard bestemd zijn voor het zenden of het zenden en ontvangen van
        radiocommunicatiesignalen."
    
       In plaats van (...X...) staat:
radioversterkerapparaten radiozendapparaten radio-ontvangapparaten meetapparaten