inleiding examens

Proefexamen F 09 April 2009


1- Voor een bruikbare modulatie zal de waarde van R1 liggen in de ordegrootte van:

      

10 Ω 600 Ω 100 kΩ 1 Ω
 

2 - De schakeling rondom Q2 is bedoeld:

      

voor het regelen van het laagfrequentvolume van de hoofdtelefoon als detectorschakeling
voor signalen van Q1
voor het precies instellen van de drain-source  spanning van Q1 voor het opwekken van het oscillatorsignaal
 

3 - R11 en R12:

     

vormen met C9 een laagdoorlaatfilter mogen geen draadgewonden weerstanden zijn dienen voor tegenkoppeling van Q3 zorgen voor het juiste werkpunt van Q3
 

4 - De ontvangfrequentie wordt bepaald door de middenfrequentie en door de kring:

       

L25 en C25 L6 en C6 L1 en C1 L3 en C3
 
5 - De collectorstroom is 100 mA
     
    De stroom I is:
25 mA 50 mA 100 mA 7 mA
 
6 - De frequentiestabiliteit van een zender wordt voornamelijk bepaald door:
de kring in de eindtrap de mengtrap de modulator het kristal
 
7 - In netvoedingen moet de aarddraad van het netsnoer worden verbonden met het metalen chassis.

     Hierdoor zal in alle gevallen dat er een fout in de voeding optreedt:
het chassis geen hoge spanning ten opzichte van aarde krijgen de netveiligheid aanspreken geen hf-spanning op het net komen de aardlekschakelaar aanspreken
 
8 - Een radiozendamateur maakt vanuit de auto een verbinding op 2 meter.
     Tot zijn schrik merkt hij dat hij een zakelijke afspraak niet kan nakomen.
      Hij vraagt aan de radiozendamateur met wie hij een verbinding heeft dit telefonisch door te geven.

     Dit is:
toegestaan als de zakelijke relatie ook radiozendamateur is toegestaan toegestaan als het bericht maar zeer kort is en er in de directe omgeving geen telefoon aanwezig is niet toegestaan
 
9 - Het doel van een balun in een antennesysteem is het:
vergroten van de staandegolfverhouding beschermen van het antennesysteem tegen blikseminslag verminderen van de uitstraling van harmonischen voorkomen van mantelstromen op de kabel
 
10 - De collectorstroom is 100 mA.
      
       De stroom I is:
50 mA 25 mA 75 mA 100 mA
 
11 - De schakeling stelt voor een:
      
spanningsverdubbelaar frequentiediscriminator balansmodulator dubbelfasige gelijkrichter
 
12 - De Q-factor van een spoel heeft vooral betrekking op de:
verhouding diameter spoel / diameter draad bereikbare selectiviteit eigen capaciteit van de spoel hoogst mogelijke resonantiefrequentie

13 - Bewering 1:
      
Een FM-zender wordt gemoduleerd met een spraaksignaal.
       De klasse van uitzending is F2A.
       Bewering 2:
      
Een enkelzijbandzender met onderdrukte draaggolf wordt gemoduleerd met een spraaksignaal.
       De klasse van uitzending is J2B.

       Wat is juist?
geen van beide beweringen bewering 1 en bewering 2 alleen bewering 1 alleen bewering 2
 
14 - Uit de luidsprekers van een geluidsinstallatie wordt het signaal van een 144 MHz amateurzender hoorbaar.
       Er is al een netfilter aangebracht en er zijn smoorspoelen in de luidsprekerleidingen geplaatst.
       De storing blijft ook aanwezig als alle signaaltoevoerdraden zijn losgenomen.

        De oorzaak van de storing is waarschijnlijk het gevolg van:
directe instraling onjuist gebruik van ringkerntransformatoren te sterke harmonischen van de zender extreme propagatie-omstandigheden
 

15 - Flipflop is een andere naam voor een:

analoge serie-parallel omzetter digitale geheugenschakeling electronische seinsleutel analoge geheugenschakeling
 

16 - Een AM-zender wordt gemoduleerd met spraak.

 

      De klasse van uitzending is: 

J1B A3E F1D F3A

 

17 - Bij temperatuurinversie kunnen radiogolven in de 145 MHz frequentieband aanzienlijk grotere afstanden

       overbruggen dan normaal.

 

       Dit komt omdat:

de warme luchtlaag de golven minder absorbeert dan de koude luchtlaag de polarisatie van de golven wordt gedraaid op het grensvlak van warme en koude lucht er buiging van de golven in een groot hogedrukgebied plaatsvindt de zich vormende waterdruppels werken als reflectors
 
18 - De communicatie tussen amateurstations mag geen berichten bevatten:
betreffende technische onderzoekingen van gering belang ten behoeve van of voor derden met opmerkingen van persoonlijke aard
 
19 - In de algemene bepalingen van de Telecommunicatiewet komt de volgende definitie voor:
       
"(-X-): eigenschappen van apparaten, om op bevredigende wijze in hun elektromagnetische omgeving te kunnen
         functioneren zonder zelf elektromagnetische storing te veroorzaken die ontoelaatbaar zijn voor alles wat zich in die
         omgeving bevindt."
         In plaats van (-X-) staat:
elektromagnetische affiniteit elektromagnetische stoorongevoeligheid elektromagnetische toegankelijkheid elektromagnetische comptabiliteit
 

20 - In welk figuur is de aanpassing bij de halvegolf antenne juist?

        

figuur 1 figuur 3 figuur 2 figuur 4
 
21- De juiste aansluiting van de gekleurde aders van een 3-aderig snoer in de netsteker is:
pen 1: blauw
     pen 2: bruin
     randaarde: zwart
pen 1: rood
     pen 2: blauw
     randaarde: geel
pen 1: bruin
     pen 2: blauw
     randaarde geel/groen
pen 1: blauw
     pen 2: bruin
     randaarde: groen
 
22 - De voltmeter met een inwendige weerstand van 10 kilo-ohm per volt is ingesteld op het bereik van 10 volt.
        De inwendige weerstand van de batterij is te verwaarlozen.
      
       De voltmeter wijst aan:
3 V 4,5 V 1 V 6 V
 

23 - Bij een radiogolf is de kritische frequentie:

de hoogste frequentie waarbij, bij verticale opstraling, nog reflectie door de ionosfeer optreedt een andere uitdrukking voor "Maximum Usable Frequentie" (MUF) de hoogste frequentie die voor grondgolfpropagatie nog bruikbaar is de laagste frequentie waarbij, bij verticale opstraling, nog reflectie door de ionosfeer optreedt
 

24 - Welke karakteristiek behoort bij een hoogdoorlaatfilter?

        

karakteristiek 3 karakteristiek 1 karakteristiek 4 karakteristiek 2
 

25 - De werking van een geaarde aluminium afschermbus om een hf-spoel berust op:

diamagnetische eigenschappen van aluminium inductie van een stroom in de bus die een tegengesteld magnetisch veld opwekt magnetische geleiding van aluminium naar aarde afvoeren van magnetische veldlijnen
 

26 - In de algemene bepalingen van de Telecommunicatiewet komt de volgende definitie voor:

        "(-X-): apparaten die naar hun aard bestemd zijn voor het zenden of het zenden en ontvangen van radiocommunicatiesignalen"

 

       In plaats van (-X-) staat: 

meetapparaten radio-ontvangapparaten radiozendapparaten radioversterkerapparaten
 

27 - Tijdens een uitzending moeten de roepletters uitgezonden worden ten minste eenmaal per:

3 minuten 15 minuten 5 minuten 10 minuten

28 - Een in een enkele laag gewikkelde spoel wordt vervangen door een spoel die 10% langer is.
        De overige eigenschappen (aantal windingen, diameter, kernmateriaal) blijven gelijk.

       De zelfinductie is nu:
ongewijzigd 10% groter kleiner 20% groter
 

29 - Een van deze toepassingen van een transformator is niet juist:

aanpassen van antenne aan kabel wijzigen van wisselspanning versterken van vermogen koppelen van versterkertrappen
 
30 - Een multimeter heeft een gevoeligheid van 20 kΩ/v.
        De meter is geschakeld op het 10 volt bereik.
        De meter wijst 7 volt aan.

       De eigen weerstand van de meter is:
140 kΩ 14 kΩ 20 kΩ 200 kΩ
 

31 - Een zendamateur zendt uit in de klasse van uitzending J3E (EZB).

       Het door de direct met de antenne-inrichting te koppelen trap van het radiozendapparaat afgegeven gemiddeld

       vermogen, gerekend over een periode van de hoogfrequent uitgangswisselspanning tijdens het maximum van de

       omhullende, bedraagt 100 watt.

 

      Volgens de "gebruiksbepalingen" is het zendvermogen: 

25 W 400 W 100 W 200 W
 

32 - De spanning over de spoel is:

       

100 V 300 V 400 V 200 V
 

33 - In een EZB-zender wordt de hoge zijband opgewekt met een draaggolffrequentie van 500 kHz.

       De draaggolf-zendfrequentie bedraagt 3700 kHz, waarbij de lage zijband dient te worden uitgezonden.

     

      De oscillatorfrequentie is: 

2700 kHz 4200 kHz 3700 kHz 3200 kHz
 
34 - Een LED (light emitting diode) dient op een spanning van 12 volt te worden aangesloten volgens:
     
schema 4 schema 3 schema 2 schema 1
 

35 - In een enkelzijbandzender wordt een signaal opgewekt als lage zijband.

       De draaggolfoscillator werkt op 455 kHz.

       Alleen laagfrequente signalen tussen 300 en 3000 Hz mogen worden overgebracht.

 

       De doorlaatband van het zijbandfilter moet liggen tussen de frequenties: 

455,3 kHz en 458,0 kHz 452,0 kHz en 458,0 kHz 455,0 kHz en 458,0 kHz 452,0 kHz en 454,7 kHz
 
36 - Een aardlekschakelaar beveiligt tegen het optreden van:
een verschil tussen de stroomsterkte in de nuldraad en de fasedraad een potentiaalverschil tussen de nuldraad van het net en aarde een hoogfrequentstroom naar het net een potentiaalverschil tussen de nuldraad van het net en het chassis
 

37 - Het vermogen dat de transistor dissipeert is ongeveer:

        

24 mW 20 mW 12 mW 10 mW
 

38 - Tussen twee versterkertrappen is een passief filter geschakeld.

         

       De totale versterking tussen A en B is: 

280 dB 11,2 dB 20 dB 10 dB
 
39 - Een zendereindtrap, ingesteld in klasse B, wordt maximaal uitgestuurd door een 100% in amplitude
        gemoduleerde draaggolf.
        Het uitgangsvermogen van de draaggolf is 100 watt.

        Als deze eindtrap maximaal wordt uitgestuurd door een enkelzijbandsignaal, bedraagt het uitgangsvermogen (PEP):
50 W 100 W 400 W 200 W
 

40 - In een voltmeter wordt gebruik gemaakt van een instrument dat bij 1 mA volle uitslag vertoont.

        Het instrument heeft een te verwaarlozen inwendige weerstand.

 

       Welke serieweerstand moet worden toegepast om een meetgebied van 50 volt te verkrijgen? 

20 kΩ 200 kΩ 5 kΩ 50 kΩ
 

41 - Stelling 1:

        De anode-roostercapaciteit van een triode is veel kleiner dan van een pentode.

        Stelling 2:

        De electronenstroom in een triode loopt van het rooster naar de anode.

 

        Wat is juist:

alleen stelling 1 geen van beide stellingen stelling 1 en 2 alleen stelling 2
 

42 - Stelling 1:

        Het aan de voorzijde van een gevouwen dipool uitgezonden vermogen is groter dan het aan de achterzijde uitgezonden vermogen;

        Stelling 2:

        De voor/achterverhouding van een gevouwen dipool is groter dan die van een yagi-antenne.

 

       Wat is juist: 

stelling 1 en 2 geen van beide stellingen alleen stelling 1 alleen stelling 2
 
43 - een bitstroom wordt in 16-QAM gemoduleerd.

       Als de bitsnelheid 9600 bits/s is, is de symboolsnelheid:
38400 baud 600 baud 2400 baud 9600 baud
 
44 - Juist is:
      
Y = 1 en Z = 1 Y = 1 en Z = 0 Y = 0 en Z = 1 Y = 0 en Z = 0
 

45 - Om een hf-radioverbinding over een zo groot mogelijke afstand te kunnen maken wordt een antenne

       toegepast met een: 

horizontale polarisatie verticale polarisatie grote opstralingshoek kleine opstralingshoek
 
46 - Radioverbindingen in de 2-meter band tussen stations op aarde vinden in het algemeen plaats via de:
biosfeer stratosfeer troposfeer ionosfeer
 
47 - De transformatoren zijn identiek en elk bedoeld voor primair 230 V, secundair 12 V.
    
       De spanning over weerstand R is:
48 V 12 V 6 V 24 V
 
48 - De frequentie van een wisselspanning bedraagt 100 Hz.

       Het aantal perioden dat in 5 minuten verloopt is:
20 30.000 1.200 500
 

49 - De schakeling stelt voor een:

        

hoogdoorlaatfilter laagdoorlaatfilter modulator verschilversterker
 
50 - Een seriekring heeft een resonantiefrequentie van 100 MHz.

       Voor een signaal van 90 MHz gedraagt deze kring zich als een:
condensator weerstand spoel doorverbinding