1- Transistor Q2 :

      

is bedoeld als scheidingstrap versterkt de laagfrequentspanning van Q1 ongeveer 3x versterkt de laagfrequentspanning van Q1 ongeveer 10x versterkt de laagfrequentspanning van Q1 ongeveer 30x
 

2 - Halfgeleider Q3 is een:

      

PNP-transistor NPN-transistor P-kanaal veldeffecttransistor N-kanaal veldeffecttransistor
 

3 - Transformator T1 dient voor het:

      

aanpassen van de antenne opweken van de BFO-spanning aanpassen van de luidspreker verkrijgen van de gewenste voedingsspanning
 

4 - zie de afbeelding bij vraag 3:

 

     Automatische versterkingsregeling beïnvloed de versterking van de transistoren: 

Q1 en Q6 Q1 en Q3 Q1 en Q2 Q2 en Q3
 
5 - In de algemene bepalingen van de Telecommunicatiewet komt de volgende definitie voor:
      "(-X-): apparaten die naar hun aard bestemd zijn voor het zenden of het zenden en ontvangen van radiocommunicatiesignalen"

      In plaats van (-X-) staat:
radio-ontvangapparaten radiozendapparaten radioversterkerapparaten meetapparaten
 
6 - In R1 wordt 36 watt aan warmte ontwikkeld.
    
     De warmte ontwikkeling in R2 bedraagt:
9 W 18 W 72 W 36 W
 
7 - Een seriekring bestaat uit een spoel  van 1 µH met een ohmse weerstand van 0,1 ohm en een condensator.
      De resonantiefrequentie bedraagd 8 MHz.

       De Q-factor van de kring is ongeveer:
50 0,8 x 10-6 0,1 x 10-6 500
 
8 - Van een zendereindtrap is het stuurvermogen 0,5 watt en het afgegeven vermogen is 5 watt.

    De vermogensversterking is:
2,5 db 10 db 5 db 20 db
 
9 - Bij het toepassen van fasemodulatie in een zender voor de overdracht van een telefoniesignaal
      is de klasse van uitzending:
J3E A3A G3E F3E
 
10 - De stroom door de spoel is ongeveer:
      
2,4 A 60 A 6 mA 0,24 mA
 
11 - De spanning tussen X en Y is:
      
20 V 0 V 30 V 10 V
 
12 - Een frequentieverdrievoudiger met een transistor wordt gestuurd met een 10 MHz-signaal.

       In de collectorstroom zijn de volgende frequenties aanwezig:
15 MHz en 30 MHz 5 MHz en 15 MHz 10 MHz en 25 MHz 10 MHz en 30 MHz
13 - In de "gebruiksbepalingen" is ondermeer bepaald dat de radiozendamateur:
tijdens de uitzendingen van een amateurstation hierbij altijdaanwezig dient te zijn recht heeft op ongestoord gebruik van de aan de Amateurdienst toegewezen frequentiebanden alleen radiozendapparaten mag gebruiken die van een toegestaan type zijn bij het gebruik van het amateurstation overlast in het radioverkeer dient te voorkomen
 
14 - In een 2-meter zender wordt het signaal van een 12 MHz oscillator vermenigvuldigd naar een zendfrequentie
       van 144 MHz.
       De oscillator heeft een frequentieverloop van 12 Hz per minuut.

       De zendfrequentie verloopt in 10 minuten:
1440 Hz 144 Hz 10 Hz 120 Hz
 

15 - Bewering 1:

        Een Fm-zender wordt gemoduleerd met een spraaksignaal.

        De klasse van uitzending is F3E.

        Bewering 2:

        Via een enkelzijbandzender met onderdrukte draaggolf worden met behulp van een hulpdraaggolf met de

        hand geseinde morsetekens verzonden.

        De klasse van uitzending is J2A

 

       Wat is juist? 

geen van beide beweringen alleen bewering 2 alleen bewering 1 bewering 1 en bewering 2
 

16 - In netvoedingen moet de aarddraad van het netsnoer worden verbonden met het metalen chassis.

 

       Hierdoor zal in alle gevallen dat er een fout in de voeding optreedt: 

de aardlekschakelaar aanspreken het chassis geen hoge spanning ten opzichte van aarde krijgen geen hf-spanning op het net komen de netveiligheid aanspreken

17 - Een analoog signaal wordt aangeboden aan een ADC.

 

       De nauwkeurigheid van de conversie kan worden vergroot door: 

meer bits per sample te gebruiken minder bits per sample te gebruiken de bemonsteringsfrequentie te verlagen het ingangssignaal van de ADC te verzwakken
 
18 - De radiozendamateur mag het amateurstation gebruiken voor het uitzenden van:
informatie afkomstig van commerciële radiostations opmerkingen van commerciële aard informatie die betrekking heeft op het amateurstation versleutelde informatie
 
19 - Een aardlekschakelaar beveiligt tegen het optreden van:
een verschil tussen de stroomsterkte in de nuldraad en de fasedraad een potentiaalverschil tussen de nuldraad van het net en het chassis een hoogfrequentstroom naar het net een potentiaalverschil tussen de nuldraad van het net en aarde
 

20 - Van Amsterdam naar Stockholm wordt een radioverbinding op 145 MHz gemaakt.

 

       Dit is mogelijk omdat: 

sporadische E-laag reflectie optreedt het zogenaamde Dellinger-effect optreedt de antennes op 100 meter hoogte zijn opgesteld de kritische frequentie voor ionosfeerreflectie bij 20 MHz ligt
 
21- Laagfrequentdetectie wordt veroorzaakt door:
niet-lineaire effecten van halfgeleiders onvoldoende frequentiestabiliteit niet-lineaire zendereindtrappen onvoldoende harmonischen-onderdrukking van de zender
 
22 - Een dipmeter kan worden gebruikt voor het meten van:
de nauwkeurigheid van een digitale frequentiemeter het stuurvermogen van de eindtrap van een zender de resonantiefrequentie van een kring de vervorming van een lineaire versterkertrap
 

23 - Radiozendamateurs met een F-registratie bij Agentschap Telecom mogen CW-verbindingen maken op 2197 meter.

 

       De hiermee overeenkomende frequentie ligt in de band: 

135,7 - 137,8 kHz 13,57 - 13,78 MHz 13,57 - 13,78 kHz 1,357 - 1,378 MHz
 

24 - Variabele condensatoren worden gevormd door twee geleiders met daartussen een diëlectricum.

 

       Ze worden veelal toegepast voor: 

het regelen van de diëlectrische constante afstemming en afregeling het afregelen van de zelfinductie het laten naijlen van de stroom op de spanning
 

25 - Een koperdraad wordt voldoende hoog en vrij opgehangen als antenne.

       Een kant eindigt op een isolator. 

 

       De andere kant van de antenne heeft t.o.v aarde een lage impedantie voor een zendsignaal indien de koperdraadlengte

       elektrisch gelijk is aan: 

1/4 golflengte 1/8 golflengte 1/2 golflengte 1 golflengte
 

26 - Een variac is in principe een autotransformator.

       De knop van de variac wordt zodanig gedraaid dat n1 = 100 windingen en n2 = 200 windingen. 

       U1 is dan: 

        vraag26

60V 48V 240V 80V
 

27 - Dit is een blokschema van een FM-zender.

     

       Het blokje gemerkt met X stelt voor de: 

oscillator stuurtrap eindtrap modulator

28 - Storingen welke veroorzaakt worden door sleutelklikken van een telegrafiezender (A1A) kunnen
        worden voorkomen door:
verhoging van de stuurspanning van de eindtrap afscherming van de eindtrap van de zender de eindtrap in klasse A in te stellen het in en uitschakelen van het hf-signaal geleidelijk te laten geschieden
 

29 - Van elke coaxkabel is de karakteristieke impedantie en de elektrische lengte gegeven.

     

       De staandegolfmeter (SGM), welke is gemaakt voor 50 Ω geeft ongeveer aan:

1,4 0,7 2,0 1,0
 
30 - In deze schakeling wordt in plaats van een transistor met een stroomversterkingsfactor hfe = 100
        een transistor toegepast met een hfe = 50.
       
        Wat is het gevolg?.
de spanningsversterking blijft ongeveer gelijk de spanningsversterking wordt veel groter de spanningsversterking wordt veel kleiner de schakeling zal niet meer werken
 

31 - Een radiozendamateur laat voor een georganiseerd radioamateur-peilevenement zijn zender werkend achter in het bos.

 

      Dit is: 

niet toegestaan uitsluitend toegestaan als hiervoor toestemming van Agentschap Telecom is verkregen uitsluitend toegestaan onder voorwaarde dat Agentschap Telecom daarvan vooraf in kennis is gesteld toegestaan
 

32 - In de schakeling met een siliciumtransistor zal de meter de volgende gelijkspanning aangeven:

        

2 V 2,7 V 5,3 V 3,4 V
 

33 - Een antenne straalt in het horizontale vlak gelijkmatig in alle richtingen.

 

       Deze antenne kan zijn een: 

middengevoede horizontale dipool paraboolantenne groundplane yagi
 
34 - De dioden hebben gelijke doorlaatkarakteristieken maar de belastbaarheid is verschillend.
       
        Kies uit de alternatieven de combinatie van hoogste Uuit en grootste Iuit die de schakeling kan leveren.
Uuit = 200 V en Iuit = 1 A Uuit = 200 V en Iuit = 2 A Uuit = 100 V en Iuit = 1 A Uuit = 100 V en Iuit = 2 A
 

35 - Deze schakeling kan gezien worden als een:

         

EN-poort NEN-poort (NAND) OF-poort NOF-poort (NOR)
 
36 - Voor het verkrijgen van een 10 volt- en een 30 volt meetgebied moeten R1 en R2 zijn:
       
100 kΩ en 297 kΩ 97 kΩ en 200 kΩ 100 kΩ en 197 kΩ 97 kΩ en 297 kΩ
 

37 - Bewering 1:

       Een dubbelzijband AM-zender wordt gemoduleerd met een spraaksignaal.

       De klasse van uitzending is F3E

       Bewering 2:

       Een FM-zender zendt een telegrafiesignaal uit, bestemd voor automatische ontvangst.

       De klasse van uitzending is F1B.

 

      Wat is juist? 

geen van beide beweringen alleen bewering 2 alleen bewering 1 bewering 1 en bewering 2
 

38 - Om deze schakeling te kunnen maken beschikt u over 4 trafo`s met verschillende wikkelverhoudingen.

       U wenst een onbelaste uitgangsspanning van 10 V zo dicht mogelijk te benaderen.

        

       U kiest een transformator met een wikkelverhouding van: 

5,5 : 1 44 : 1 22 : 1 31 : 1
 
39 - Vanuit een aardsatelliet op 1.000 km hoogte wordt een UHF-uitzending gedaan.

        Deze uitzending is op aarde steeds te ontvangen in een gebied met een straal van ongeveer:
500 km 100 km 20.000 km 4.000 km
 

40 - Dit is een schema van een:

        

bandsperfilter laagdoorlaatfilter hoogdoorlaatfilter banddoorlaatfilter
 

41 - Het lichaamsdeel dat het snelst beschadigd kan worden door de invloed van electromagnetische golven

        met frequenties boven 1000 MHz is: 

de nier de hand het hart het oog
 

42 - De ampèremeter met een inwendige weerstand Ri wijst 4 ampère aan.

       Met gesloten schakelaar S wijst de ampèremeter 7 ampère aan. 

        

       De spanning U en de inwendige weerstand Ri zijn: 

28 V en 1Ω 26 V en 1Ω 24,5 V en 0,5Ω 26 V en 0,5Ω
 
43 - Om een eindversterker aan de coaxkabel aan te passen is het meest algemeen bruikbare aanpassingsnetwerk:
      
netwerk 2 netwerk 3 netwerk 1 netwerk 4
 
44 - Een voltmeter met een meetbereik van 60 volt heeft een gevoeligheid van 10kΩ/v

        Het meetbereik kan worden vergroot tot 300 volt door een voorschakelweerstand van:
50 kΩ 2400 kΩ 3000 kΩ 40 kΩ
 

45 - Een radiozendamateur ondervindt storing van een radiostation dat niet bevoegd is met hem een

        radioverbinding te maken.

       Om dit station hierover te informeren brengt de radiozendamateur hiermee een radioverbinding tot stand.

 

       Dit is: 

toegestaan als de amateurdienst in die frequentieband een secundaire status heeft niet toegestaan toegestaan als blijkt dat het radiostation eveneens storing ondervindt van de uitzendingen van het amateurstation toegestaan als de amateurdienst in die frequentieband een secundaire status heeft
 
46 - De impedantiegrafiek van een kwartskristal rond de resonantiefrequentie op de grondtoon is gegeven in:
      
grafiek 3 grafiek 2 grafiek 4 grafiek 1
 
47 - Een bitstroom wordt in 16-QAM gemoduleerd.

       Als de bitsnelheid 9600 bits/s is, is de symboolsnelheid:
2400 baud 600 baud 38400 baud 9600 baud
 
48 - Verbindingen in de 14 MHz band over grote afstand worden gemaakt via:
de grondgolf de troposfeer de ionosfeerlagen Aurora-reflectie
 

49 - De spanning (Uce) tussen emitter en collector is:

         

0,5 V 9,5 V 10 V 19,5 V
 
50 - De beste mode voor het maken van radioverbindingen via aurora-propagatie is:
EZB CW FM AM