Proefexamen F voorjaar 2005


1- In het telegrafieverkeer is de gebruikelijke afkorting voor ZENDER:
TX TR TRX ZDR
 
2 - In de algemene bepalingen van de Telecommunicatiewet komt de volgende definitie voor:
      "[ - X - ]: eigenschap van apparaten, om op bevredigende wijze in hun elektromagnetische omgeving te kunnen
        functioneren zonder zelf elektromagnetische storingen te veroorzaken die ontoelaatbaar zijn voor alles wat zich
        in die omgeving bevindt."
         In plaats van [ - X - ] staat:
elektromagnetische affiniteit elektromagnetische compatibiliteit elektromagnetische toegankelijkheid elektromagnetische stoorongevoeligheid
 
3 - De wetgever onderscheidt de categorieën van vergunningen F en
     N voor het doen van onderzoekingen door radiozendamateurs.
     Dit onderscheid bepaalt uitsluitend de toegestane:
frequentiebanden zendvermogens en klassen van uitzending frequentiebanden en de toegestane zendvermogens toegewezen klassen van uitzending en status op de toegewezen banden
 
4 - Een N-vergunninghouder wil bij een F-vergunninghouder zenden op een frequentie van 1297 MHz.
      Dit gebruik is:
toegestaan, mits de N-vergunninghouder de roepletters
van de F-vergunninghouder gebruikt
toegestaan, mits de F-vergunninghouder aanwezig is bij
het radiozendapparaat
toegestaan, mits het zendvermogen maximaal 25 watt
bedraagt
niet toegestaan
 
5 - De maximale snelheid waarmee de roepletters bij het begin van de uitzending in morsetekens mogen worden geseind is:
12 woorden per minuut 20 woorden per minuut 24 woorden per minuut 30 woorden per minuut
 
6 - Tijdens een amateurradio-uitzending moet de radiozendamateur er voor zorgdragen dat:
de zendfrequentie zo stabiel mogelijk is de grenzen van de hem toegewezen frequentiebanden en het toegestane zendvermogen niet worden overschreden het maximumzendvermogen niet wordt overschreden het zendvermogen stabiel blijft
 
7 - Een batterij is opgebouwd uit nikkelcadmiumcellen van 1,2 V en een capaciteit van 0,5 Ah.
      Een draagbare zendontvanger neemt bij 7,2 V gemiddeld 0,7 A op.
      Het aantal cellen dat nodig is om deze zendontvanger gedurende minimaal 1 uur te kunnen gebruiken bedraagt:
2 6 12 14
 
8 - Afscherming tegen magnetische velden wordt bereikt door toepassing van:
een ferrietstaaf een manteltransformator een spoel zonder ferrietkern een magnetisch geleidend materiaal
 
9 - De elektrische component in elektromagnetische golven:
is altijd vertikaal gericht is altijd horizontaal gericht kan zowel horizontaal als vertikaal gericht zijn bepaalt de richting waarin de elektromagnetische golf zich voortplant
 

10 - De amplitude van de wisselspanning is:

       

U1 U2 T T/2
 

11 - In een circuit loopt een wisselstroom bestaande uit een grondgolf en zijn derde harmonische.
        Welke grafische voorstelling van de totale stroom past hierbij?

       

a b c d
 
12 - Tijdens het moduleren van een FM-telefoniezender met een toon van constante amplitude varieert:
de frequentie van het uitgezonden signaal de frequentiezwaai van het uitgezonden signaal de amplitude van het uitgezonden signaal de frequentie en de amplitude van het uitgezonden
signaal
13 - De bandbreedte van een FM-signaal:
is altijd kleiner dan de bandbreedte van een AM-signaal is gelijk aan 2 maal de bandbreedte van het modulerende
signaal
is onafhankelijk van het modulerende signaal hangt af van de toegepaste modulatie-index
 

14 - De transformator is verliesvrij. Als de schakelaar in stand 1 staat, is de stroom door de ampèremeter 9 ampère.
       Zetten we de schakelaar in stand 2, dan is de stroom door de ampèremeter:

       

1,5 A 3 A 4,5 A 9 A
 
15 - Om de maximaal toelaatbare vermogensdissipatie van een weerstand te verhogen, kan men het beste:
het oppervlak van de weerstand zo klein mogelijk maken het oppervlak van de weerstand zo groot mogelijk maken de weerstandswaarde zo klein mogelijk maken de weerstandswaarde zo groot mogelijk maken
 

16 - Tussen de platen van een luchtcondensator wordt een passende plaat geschoven met een diëlektrische constante van 5.

        
        De waarde van de capaciteit zal nu:

5 maal zo klein worden gelijk blijven 5 maal zo groot worden 25 maal zo groot worden

17 - Een belasting wordt aangesloten op een sinusvormige wisselspanning.
        Het verloop van de stroom i en de spanning u is in de grafiek aangegeven.

       

         De belasting bestaat uit:

een weerstand een spoel plus weerstand een condensator plus weerstand een spoel plus condensator
 
18 - Om de zelfinductie van hf-spoelen te regelen worden veelal ijzerkernen toegepast.
        Deze kernen bestaan bij voorkeur uit:
massief zacht ijzer geïsoleerde ijzerplaatjes samengeperst zuiver ijzerpoeder samengeperste, geïsoleerde ijzerpoederdeeltjes
 

19 - Van een dubbelfasige gelijkrichter is de uitgangsspanning 10 volt bij een belasting met 100 ohm.

        De transformator en de diodes worden ideaal verondersteld.

       

          De primaire wisselstroom is:

10 mA 10√2 mA 100 mA 100√2 mA
 
20 - De maximale doorlaatstroom in een halfgeleiderdiode wordt begrensd door de:
omgekeerde EMK doorlaatspanning kristaltemperatuur maximale sperspanning
 
21- De ingangsimpedantie bij 1 kHz van een j-FET ligt tussen:
1 ohm en 100 ohm 100 ohm en 10 kilo-ohm 10 kilo-ohm en 1 mega-ohm 1 mega-ohm en 100 mega-ohm
 

22 - Voor de transistor geldt: Ube = 0,7 volt. De basisstroom is verwaarloosbaar klein.

       

         Uce is:

0,55 V 5,5 V 8,5 V 13,0 V
 

23 - Van de schakeling is ingang X logisch 0.
        Ingang Y kan zowel logisch 0 als logisch 1 zijn.

        
         Uitgang Q is:

Y

0

1

_
     Y
 
24 - Iemand wil een gloeilamp van 6 V/10 W voeden uit het 230 V net.
        Er staan twee gelijke transformatoren ter beschikking van elk primair 115 V en secundair 6 V/1 A.
        Rekening houdend met de fase is de juiste schakeling:
primaire wikkelingen in serie en secundaire wikkelingen
in serie
primaire wikkelingen in serie en secundaire wikkelingen
parallel
primaire wikkelingen parallel en secundaire wikkelingen
in serie
primaire wikkelingen parallel en secundaire wikkelingen
parallel
 

25 - Op de schakeling van twee ideale condensatoren wordt een sinusvormige spanning U1 van 100 volt aangesloten.

       
        De spanning U2 is:

100 V 60 V 50 V 40 V
 

26 - Dit is de frequentiekarakteristiek van een resonantiekring.

       

      De kwaliteitsfactor (Q) van deze kring bedraagt:

16,7 25 50 100
 

27 - Een 50 Ω staandegolfmeter is met coaxiale kabels van 50 Ω opgenomen tussen een zender en een antenne.
        Deze meter geeft een SWR van 20:1 aan.

       

         Dit betekent dat de:

zender juist is aangepast antenne juist is aangepast zender veel vermogen levert antenne zeer slecht is aangepast

28 - De onbelaste uitgangsspanningen U1 en U2 zijn ongeveer:

       

100 V en 140 V 140 V en 140 V 100 V en 100 V 140 V en 280 V
 

29 - Welke frequentiekarakteristiek behoort bij een VHFvoorversterker?

       

A B C D
 
30 - Bij demodulatie van enkelzijbandsignalen wordt doorgaans gebruik gemaakt van een:
anodedetector ratiodetector productdetector discriminator
 
31 -  Bij een werkende oscillator wordt aan de volgende voorwaarden voldaan:

         Rondgaande versterking  Rondgaande fasedraaiing
A.                oneindig                                        90°
B.                groter dan 1                                 180°
C.                kleiner dan 1                                270°
D.                gelijk aan 1                                   360°

A B C D
 

32 - Het uitgangssignaal kan worden ingesteld op kanalen in een 25 kHz raster.

       

        De frequentie van de referentie-oscillator is:

145 MHz 25 kHz 145,025 MHz 145,975 MHz
 

33 - Blokschema 2-meter ontvanger (dubbelsuper):

       
       Wat is de minimale bandbreedte van de 1e mf-versterker?

6 kHz 1 MHz 2 MHz 15 MHz
 
34 - De oscillator in een superheterodyne ontvanger:
wekt de hulpfrequentie voor de mengtrap op scheidt de zijbanden van de draaggolf zorgt voor de spiegelonderdrukking bepaalt de versterking van de eerste middenfrequenttrap
 
35 - De gevoeligheid van een FM-ontvanger voor de 2-meterband bedraagt ongeveer:
0,2 nanovolt 0,2 microvolt 0,2 millivolt 0,2 volt
 
36 - Aan de ingang van een ontvanger zijn sterke signalen aanwezig op 144,8 MHz en op 145,5 MHz.
       Welke intermodulatie-producten kunnen ontstaan?
145,5 MHz en 146,2 MHz 144,1 MHz en 144,8 MHz 144,1 MHz en 146,2 MHz 144 MHz en 146 MHz
 

37 - Een hf-ontvanger met een doorlaatbandbreedte van 300 Hz ontvangt een CW-signaal (A1A).

       De signaal/ruisverhouding aan de uitgang bedraagt 20 dB.
        Als de doorlaatbandbreedte wordt overgeschakeld naar 3000 Hz, wordt bij gelijkblijvende versterking de
         signaal/ruisverhouding:

groter kleiner onbepaald ongewijzigd
 
38 - Voor een telegrafiezender (A1A) geldt:
de frequentiestabiliteit is niet belangrijk omdat er
geen spraakmodulatie wordt toegepast
alle trappen kunnen in klasse C worden ingesteld er kan alleen in de eindtrap worden gesleuteld de bandbreedte van het uitgezonden signaal is nul hertz
 
39 - De functie van de stuurtrap in een FM-zender is het:
opwekken van de zendfrequentie besturen van de zenderfuncties moduleren van de draaggolf uitsturen van de eindtrap
 
40 - In een EZB-amateurzender wordt de modulatie verkregen door middel van een balansmodulator.
        Daarachter is een zijbanddoorlaatfilter geschakeld.
       De gangbare bandbreedte van dit filter voor goed verstaanbare spraak bedraagt:
1200 Hz 2400 Hz 4800 Hz 9600 Hz
 
41 - De uitgang van een zender is aangesloten op een belastingsweerstand van 50 ohm.
       Verder zijn de volgende gegevens bekend:
       - de voedingsspanning is 12 volt;
       - de opgenomen stroom is 4 ampère;
       - de stroom toegevoerd aan de eindtrap is 3 ampère;
       - de stroom in de belastingsweerstand is 0,5 ampère.
        Het afgegeven hoogfrequent zendvermogen bedraagt:
12,5 W 25 W 36 W 48 W
 
42 - De afstand die met een amateur UHF-verbinding met paraboolantennes onder goede omstandigheden maximaal kan
       worden overbrugd, bedraagt ongeveer:
1 km 2,5 km 25 km meer dan 50 km
 
43 - De antennewinst van een zendantenne is 6 dB.
        De zender levert een zendvermogen van 15 watt.
        De antennekabel is verliesvrij.
        Het effectief uitgestraald vermogen is:
15 W 30 W 60 W 90 W
 
44 - Een voordeel van een open voedingslijn ten opzichte van een coaxiale kabel is dat bij de open lijn:
de karakteristieke impedantie (golfweerstand) lager is de verliezen lager zijn er geen staande golven kunnen optreden de lijn minder straalt
 
45 - Een 100 watt zender werkt in de 10-meterband met een verticale antenne.
        Het bereik van de grondgolf is ongeveer:
2000 km 200 km 20 km 2 km
 

46 - De voltmeter heeft een inwendige weerstand van 200 kilo-ohm.
       Wanneer de spanning tussen de punten X en Y met deze voltmeter wordt gemeten, bedraagt de meetfout ongeveer:

      

2% 10% 20% 50%
 

47 - Een wisselspanning is aangesloten op een oscilloscoop met een verticale gevoeligheid van 10 volt per schaaldeel.

      
       De effectieve waarde van de wisselspanning is ongeveer:

10 V 14 V 20 V 40 V
 
48 - Een amateurzender werkend in de 21 MHz band veroorzaakt storing in de TV-ontvangst van kanaal 4 (61-68 MHz).
        De storing kan worden verminderd door:
de frequentiestabiliteit te vergroten de uitsturing van de eindtrap te verkleinen de afvlakking van de voeding te verbeteren een hoogdoorlaatfilter achter de zender te plaatsen
 

49 - Een breedband-antenneversterker is aangesloten tussen de TV-antenne en een TV-ontvanger.

       Bij het inschakelen van de hf-amateurzender worden alle TV-kanalen gestoord.
       Deze storing is in het algemeen op te heffen door:

een laagdoorlatend filter voor de versterker te plaatsen een hoogdoorlatend filter voor de versterker te plaatsen een banddoorlatend filter achter de versterker te
plaatsen
de antennemast waaraan de versterker is bevestigd te
aarden
 
50 - Tijdens een experiment komt een persoon met z'n handen in contact met een draad onder hoge spanning en kan deze niet
         meer loslaten.
         Welke handeling verricht u om deze persoon te helpen?
de spanning uitschakelen de persoon lostrekken van de spanningsdraad de persoon aanwijzingen geven wat hij moet doen de persoon vertellen hoe hij de spanning kan
uitschakelen