inleiding examens

Proefexamen  N 07 Mei 2009


1- De mogelijke waarde van een 200 Ohm weerstand met een tolerantie van 10% ligt tussen:

190 en 210 Ω 195 en 205 Ω 180 en 220 Ω
 

2 - Deze L-C schakeling heeft:

       

alleen een parallelresonantiefrequentie alleen een serieresonantiefrequentie zowel een parallel- als een serieresonantiefrequentie
 

3 - Op alle TV-kanalen (zowel boven als onder de 2-meter band) ondervindt een TV-ontvanger storing van een

      2-meter amateurstation.

 

     Dit probleem kan worden opgelost door het plaatsen van een: 

bandsperfilter aan de antenne-ingang van de TV hoogdoorlaatfilter aan de antenne-ingang van de TV laagdoorlaatfilter aan de antenne-uitgang van de 2-meter zender
 

4 - De schakeling wordt aangesloten op een batterij van 40 volt.

      

     De stroom die de batterij levert is: 

8 mA 13,3 mA 20 mA
 

5 - Met een dipmeter bepaalt men:

de resonantiefrequentie van een kring de frequentiezwaai van een FM-zender

de staandegolfverhouding

 

6 - Laagfrequentdetectie wordt veroorzaakt door:

niet-lineaire zendereindtrappen niet-lineaire effecten van halfgeleiders onvoldoende harmonischen-onderdrukking van de zender
 
7 - Twee condensatoren van 2000 picofarad worden in serie geschakeld.

      De vervangingswaarde is:
2000 picofarad 4000 picofarad 1000 picofarad
 

8 - Een zender is via een kabel met de antenne verbonden.

 

     Door het toevoegen van een antennetuner tussen de zender en de kabel kan: 

de antenne aan de kabel worden aangepast de zender worden afgestemd de zender aan de antenne-inrichting worden aangepast
 

9 - Een zonnevlekkenmaximum komt voor, (gemiddeld) eens per:

15 jaar 11 jaar 9 jaar
 

10 - De laagfrequentversterker in een communicatieontvanger:

verzorgt het draaggolfsignaal voor de detector versterkt het uitgangssignaal van de detector moduleert het te ontvangen signaal
 

11 - Een kenmerkende eigenschap van een zenerdiode is de:

sterke lichtgevoeligheid in de sperrichting sterk toenemende stroom boven een bekende spanning in de sperrichting hoge weerstand in de doorlaatrichting
 

12 - De bandbreedte van een FM-signaal:

is alleen afhankelijk van de amplitude van het modulerende signaal is afhankelijk van de amplitude en de frequentie van het modulerende signaal is alleen afhankelijk van de frequentie van het modulerende signaal
 

13 - De henry is de eenheid van:

zelfinductie capaciteit frequentie
 

14 - Dit is het blokschema van een FM-zender.

       

       Het blokje gemerkt met X stelt voor: 

de modulator de stuurtrap de vermenigvuldigtrap
 

15 - Een 2-meter zender veroorzaakt storing in de ontvangst van een UHF-televisie uitzending.

 

       De oorzaak hiervan is: 

onvoldoende onderdrukking van harmonischen in de 2-meter zender geen goede aanpassing van de zendantenne een te grote frequentiezwaai van de 2-meter zender
 

16 - Als laagfrequentversterker kan het best worden gebruikt:

        

schema 1 schema 2 schema 3

 

17 - De weerstand R is:

        

2.500 Ω 100 Ω 200 Ω
 

18 - De antennevoedingslijn die het best dicht bij metalen objecten kan worden toegepast is:

coaxiale kabel open lijn twin-lead
 

19 - Een radiozendamateur met een N-registratie installeert een onbemand packetradiostation in de 70 cm amateurband.

 

       Dit is: 

niet toegestaan uitsluitend toegestaan, indien de zender automatisch kan worden uitgeschakeld toegestaan
 

20 - De zelfinductie van de spoel in de kring van de eindtrap van een 145 MHz zender is over het algemeen:

ongeveer gelijk aan die van een 28 MHz zender veel kleiner dan die van een 28 MHz zender veel groter dan die van een 28 MHz zender
 

21- In de algemene bepalingen van de Telecommunicatiewet komt de volgende definitie voor:

       "(-X-); apparaten die naar hun aard bestemd zijn voor het zenden of het zenden en ontvangen van radiocommunicatiesignalen."

 

      In plaats van (-X-) staat: 

radioversterkerapparaten radiozendapparaten radio-ontvangapparaten
 

22 - Van een drie-elements yagi-antenne moet de voedingslijn worden aangesloten op:

de reflector de director de straler
 

23 - Een ontvanger is afgestemd op 144 MHz.

       De oscillator werkt hierbij op 134 MHz

       Vervolgens wordt de oscillator afgestemd op 135 MHz.

 

      Nu is de ontvanger afgestemd op: 

146 MHz 143 MHz 145 MHz
 

24 - De automatische versterkingsregeling van een ontvanger regelt meestal de:

audiotrap hf- en mf-trappen oscillator
 

25 - Tijdens een amateurradio-uitzending moeten de roepletters worden uitgezonden ten minste eenmaal per:

15 minuten 10 minuten 5 minuten
 
26 - Aansluiting 2 is de:
      
collector basis emitter
 

27 - Bewering 1:

        Een dubbelzijband AM-zender wordt gemoduleerd met een spraaksignaal.

        De klasse van uitzending is F3E.

        Bewering 2:

        Een FM-zender zendt een telegrafiesignaal uit, bestemd voor automatische ontvangst.

        De klasse van uitzending is F1B.

 

        Wat is juist? 

bewering 1 en bewering 2 alleen bewering 1 alleen bewering 2
 

28 - Overdag is een noord-zuid radioverbinding over 10.000 km vrijwel steeds mogelijk op:

14 MHz 28 MHz 7 MHz
 

29 - De parallelresonantiefrequentie van deze schakeling wordt bepaald door:

         

C en L1 en L2 C en L1 C en L2
 

30 - Deze LC-kring, parallel aan de ingang van de ontvanger, dient om:

       

de bandbreedte van de ontvanger te vergroten de bandbreedte van de ontvanger te verkleinen een storend signaal uit te filteren
 

31 - Hf-signalen zijn over lange afstand veelal onderhevig aan snelle fading.

 

       Dit wordt veroorzaakt door onregelmatigheid van: 

de demping in de D-laag reflecties op de zee-oppervlakte de reflecties in de F-laag
 
32 - Bewering 1:
       
Een dubbelzijband AM-zender wordt gemoduleerd met een spraaksignaal.
        De klasse van uitzending is A3E.
       Bewering 2:
       
In een zender wordt fasemodulatie toegepast voor het uitzenden van een datakanaal.
        De klasse van uitzending is G3E.

        Wat is juist?
alleen bewering 1 bewering 1 en bewering 2 alleen bewering 2
 

33 - R dissipeert 4 watt.

      

       Het gedissipeerd vermogen van de gehele schakeling is: 

12 W 8 W 6 W
 

34 - Een zendamateur zendt uit in de klasse van uitzending J3E (EZB).

        Het door de direct met de antenne-inrichting te koppelen trap van het radiozendapparaat afgegeven gemiddeld vermogen,

        gerekend over een periode van de hoogfrequent uitgangswisselspanning tijdens het maximum van de omhullende,

        bedraagt 100 watt. 

 

        Volgens de "gebruikersbepalingen" is het zendvermogen: 

100 W 200 W 400 W
 

35 - Iedere condensator is 6 µF.

       

       De vervangingswaarde is: 

9 µF 4 µF 6 µF
 

36 - Twee of meer golven van een radiosignaal kunnen verschillende wegen volgen naar de ontvangantenne,

         waardoor de sterkte van het ontvangen signaal varieert.

 

        Deze sterkteverandering heet: 

reflectie absorptie fading
 

37 - U moet een reparatie uitvoeren aan een 300 volt voeding.

 

       Na het uitschakelen van de netspanning neemt u de volgende veiligheidsmaatregel: 

u verwijdert de zekeringen u ontlaadt alle condensatoren u wacht nog ongeveer 5 minuten voordat u begint
 

38 - Met een spanningszoeker worden de contacten van een wandcontactdoos aangeraakt.

       

       Het lampje van de spanningszoeker brandt: 

alleen bij aanraking van de nul zowel bij aanraking van de nul als bij aanraking van de fase alleen bij aanraking van de fase

 

39 - De communicatie tussen amateurstations mag geen berichten bevatten:

met opmerkingen van persoonlijke aard van gering belang ten behoeve van of voor derden
 

40 - Een radiogolf met een frequentie van 10 MHz heeft een golflengte van:

30 meter 300 meter 3 meter