1- De spanning tussen de punten X en Y is:
2 - De frequentie van een radiogolf is 0,3 GHz.
De golflengte is:
3 - Een sinusvormig signaal gaat per seconde 20 keer door het nulpunt.
De frequentie van dit signaal is:
4 - Een voordeel van amplitudemodulatie ten opzichte van enkelzijbandmodulatie is:
5 - Als van een weerstand van 200 ohm de mogelijke waarde ligt tussen 190 ohm en 210 ohm dan is de tolerantie:
20%
6 - In R3 wordt een vermogen gedissipeerd van 2 watt.
Het vermogen dat in R1 gedissipeerd wordt is:
8 - Op een condensator staat aangegeven: 20 ยตF/16 V.
Dit betekend:
9 - Condensatoren met een grote capaciteit zijn:
10 - De gebruikelijke waarde van een afstemcondensator voor kortegolftoepassingen is:
11 - Een lf-uitgangstransformator van een ontvanger:
12 - Een van deze toepassingen van een transformator is niet juist:
13 - Een waarde van 200 pF wordt bereikt met:
14 - Indien bij een seriekring de zelfinductie en de capaciteit beiden verdubbeld worden zal de resonantiefrequentie:
15 - Welke schakeling gedraagt zich als een resonantiekring?
16 - Indien bij een parallelkring de zelfinductie wordt verdubbeld en de capaciteit wordt gehalveerd, dan zal de
resonantiefrequentie:
17 - Op alle TV kanalen (zowel boven als onder de 2-meter band) ondervindt een TV-ontvanger storing van een
2-meter amateurstation.
Dit probleem kan worden opgelost door het plaatsen van een:
18 - De mengtrap van een enkel superheterodyne ontvanger dient om uit het antennesignaal met het oscillatorsignaal:
19 - Het middenfrequentfilter in een ontvanger dient voor:
20 - De automatische versterkingsregeling van een ontvanger regelt de:
21- Aan een frequentieverdrievoudiger wordt een signaal toegevoerd met een zwaai van 1 kHz.
De zwaai van het uitgangssignaal zal zijn:
22 - Een antenne straalt in het horizontale vlak gelijkmatig in alle richtingen.
Deze antenne kan zijn een:
23 - De gebruikelijke naam voor element nr.1 van de yagi-antenne is:
24 - Welke figuur stelt een eindgevoede halvegolfantenne voor?
25 - Fading of sluiering van radiogolven beneden 30 MHz ontstaat doordat:
27 - Onder troposfeer wordt verstaan het gedeelte van de atmosfeer boven het aardoppervlak:
28 - De voortplanting van radiogolven over grote afstand in de 2-meter band is vooral afhankelijk van:
29 - Van een niet aangesloten kring is de resonantiefrequentie te bepalen met een:
30 - Een 2-meter zender veroorzaakt storing in de ontvangst van een UHF-televisie uitzending.
De oorzaak hiervan is:
31 - Een TV toestel ondervindt op de meeste kanalen storing van een amateurradiozender werkend in de 50 MHz band.
De meest waarschijnlijke oorzaak is:
33 - De beste methode om een ontvanger te beschermen tegen de effecten van een nabije blikseminslag is:
34 - Bewering 1:
Een dubbelzijband AM-zender zendt een muzieksignaal uit.
De klasse van uitzending is A3C.
Bewering 2:
Via een FM-zender worden met de hand geseinde morsesignalen verzonden.
De klasse van uitzending is F1E
Wat is juist?
35 - In de algemene bepalingen van de Telecommunicatiewet komt de volgende definitie voor:
"(-X-): apparaten die naar hun aard bestemd zijn voor het zenden of het zenden en ontvangen van
radiocommunicatiesignalen."
In plaats van (-X-) staat:
36 - Een radiozendamateur beluistert een radioverbinding tussen twee andere radiozendamateurs.
Het (her)uitzenden van de opgevangen informatie is:
37 - De radiozendamateur moet:
38 - Een radiozendamateur in de catagorie N gebruikt de klasse van uitzending F3E met een bandbreedte van 16 kHz.
Hij mag zenden op:
39 - Het zendvermogen van een zender is instelbaar van 1 tot 50 watt.
De zender kan werken van 144-148 MHz.
Mag een radiozendamateur met de N-registratie dit apparaat gebruiken?
40 - De roepletters moeten worden uitgezonden: