inleiding examens
1- Als tijdens een verbinding luchtstoringen optreden kan dit worden aangegeven met de code:
2 - In het telegrafieverkeer is de gebruikelijke afkorting voor LEESBAARHEID, SIGNAALSTERKTE en TOONKWALITEIT:
3 - IARU bandplannen zijn:
4 - In de Telecommunicatiewet is het volgende over vergunningverlening voor het gebruik van frequentieruimte bepaald:
Stelling 1: Voor het gebruik van frequentieruimte is een vergunning vereist van Onze Minister welke op aanvraag kan worden verleend. Stelling 2: De vergunning wordt verleend voor een bij die vergunning te bepalen termijn; de vergunning kan worden verlengd.
Wat is juist:
5 - Bij een zendamateur zijn aanwezig één of meer: 1. radio-ontvangers 2. radiozendapparaten 3. antenne-inrichtingen
Volgens de "Voorschriften en beperkingen" bestaat het amateurstation uit de combinatie van:
1, 2 en 3
6 - De communicatie tussen amateurstations mag geen berichten bevatten:
8 - Voor de N-vergunning is het maximaal toegestane zendvermogen:
9 - Een voeding wordt beveiligd met één of meer smeltveiligheden in de netleiding.
Dit wordt in de praktijk gedaan met:
10 - Bij geopende schakelaar S dissiperen de weerstanden elk 50 watt.
Als de schakelaar S wordt gesloten, is het gedissipeerde vermogen:
11 - Een batterij is opgebouwd uit nikkelcadmiumcellen van 1,2 V met een capaciteit van 0,5 Ah. Een draagbare zendontvanger wordt gevoed met 7,2 V en neemt 0,7 A op. Het benodigde aantal cellen is minstens:
12 - Een zender werkt op een golflengte van 150 meter. De frequentie is:
13 - De frequentie is:
14 - Audiosignalen bestrijken de frequentieband:
15 - Een voordeel van amplitudemodulatie vergeleken met enkelzijbandmodulatie is:
16 - Een amateurzender werkt op 2 meter met FM.
Zijn tegenstations melden dat de uitzending sterk vervormd is. De zender werkt op de juiste frequentie.
De oorzaak van de vervorming is waarschijnlijk:
17 - De maximaal toelaatbare stroom bedraagt :
18 - De waarde van deze weerstand is:
20 - In een tijdschriftartikel wordt gesproken over "82 mH".
Hier wordt bedoeld een:
21- Een lf-uitgangstransformator van een ontvanger:
22 - De aansluitingen van een diode worden genoemd:
23 - Van de zenerdiode is de karakteristiek gegeven.
Uuit is:
24 - Een klein signaal wordt toegevoerd aan de ingang van een transistorschakeling.
Aan de uitgang ontstaat een gelijkvormig signaal met een grotere amplitude.
Dit effect heet:
25 - De vervangingsweerstand is:
26 - Wanneer R1 groter gemaakt wordt, dan zal de warmteontwikkeling in R2 :
27 - De parallelkring is in resonantie.
De impedantie tussen X en Y is:
28 - Dit is het schema van een:
29 - Bij het verstemmen van een superheterodyne-ontvanger verandert de frequentie:
30 - Blokschema superheterodyne ontvanger:
Het blokje gemerkt met X stelt voor:
31 - De automatische versterkingsregeling van een ontvanger regelt meestal de:
32 - In de figuur is het blokschema van een FM-zender weergegeven.
33 - Een balansmodulator in een EZB-zender:
34 - Het uitstralen van harmonischen kan worden verminderd door:
35 - Een antenne straalt in het horizontale vlak gelijkmatig in alle richtingen. Dit kan zijn een:
36 - De onderdelen van de antenne hebben de volgende benamingen:
1 = open dipool 2 = reflector
3 = director
1 = director 2 = gevouwen dipool
3 = reflector
1 = reflector 2 = gevouwen dipool
37 - De bruikbaarheid van de 28 MHz band voor intercontinentaal radioverkeer is het grootst:
38 - Twee of meer golven van een radiosignaal kunnen verschillende wegen volgen naar de ontvangantenne, waardoor de sterkte van het ontvangen signaal varieert.
Deze sterkteverandering heet:
39 - De schakeling stelt de eindtrap van een zender voor.
Men wil de gelijkstroom door de eindtrap meten met een universeelmeter.
De juiste plaats voor de meter is:
40 - Een 2-meter zender stoort de ontvangst van TV-signalen in de UHF-band. Deze storing wordt meestal veroorzaakt doordat van de zender: