inleiding examens
1- De afstand, waarover in de 2-meter band een verbinding gemaakt kan worden, wordt soms sterk vergroot door:
2 - Een amateurzender werkt met de klasse van uitzending F3E en een bandbreedte van 16 kHz.
Volgens de "gebruiksbepalingen"mag deze zender niet werken op:
3 - Een van deze toepassingen van een transformator is niet juist:
4 - Een 2-meter zender veroorzaakt storing in de ontvangst van een UHF televisie uitzending.
De oorzaak hiervan is:
5 - Wanneer op een condensator met luchtisolatie een hogere spanning wordt aangelegd, zal de capaciteit:
gelijk blijven
6 - Dit is een blokschema van een 2-meter zender.
Het blokje gemerkt met een X stelt voor:
8 - De gebruikelijke naam voor het element nr 3 van de yagi-antenne is:
9 - De maximaal toelaatbare gelijkstroom I bedraagt:
10 - Wanneer de weerstand R1 kleiner wordt gemaakt dan zal de warmteontwikkeling in R2:
11 - Van een amplitude-gemoduleerde 2-meter zender is de modulatie hoorbaar uit de luidspreker van een
TV-ontvanger, zelfs als de volumeregelaar hiervan op minimum is ingesteld.
De juiste conclusie is:
12 - Welke schakeling stelt een banddoorlaatfilter voor?
13 - Het is de radiozendamateur in alle gevallen toegestaan het amateurstation te gebruiken om informatie
uit te zenden:
14 - In weerstand R1 wordt 10 watt gedissipeerd.
Het gedissipeerde vermogen in de gehele schakeling is:
15 - Een nadeel van een eindgevoede halvegolf antenne is:
16 - In een laagfrequentversterker wenst men signalen met frequenties boven het hoorbare gebied te onderdrukken.
Welk filter wordt toegepast?
17 - In de "gebruiksbepalingen" wordt onder het radiostation verstaan:
18 - De schakeling geeft een spanningsverzwakking (Uin /Uuit ) van:
19 - Een FM-zender geeft een draaggolfvermogen af van 10 watt en is belast met een gloeilamp van 15 watt.
De zender wordt met spraak gemoduleerd.
Deze lamp zal:
20 - Een radiozendamateur ondervindt storing van een radiostation dat niet bevoegd is met hem radioverbindingen
te maken.
Om dit station hierover te informeren brengt de radiozendamateur hiermee een radioverbinding tot stand.
Dit is:
21- Een zender is via een kabel met de antenne verbonden.
Door het toevoegen van een antennetuner tussen de zender en de kabel kan:
22 - Fading of sluiering van radiogolven beneden 30 MHz ontstaan doordat:
23 - Dit is het blokschema van een FM-ontvanger.
welke bewering is juist?
24 - De vervangingscapaciteit van twee condensatoren in serie:
25 - Lange afstand communicatie op hf banden wordt mogelijk gemaakt door het afbuigen van radiogolven in de:
27 - De maximaal toelaatbare stroom bedraagt:
28 - Een belasting is aangesloten op een spanningsbron.
Wat is de juiste plaats voor een spanningsmeter waarmee we de klemspanning van de spanningsbron willen meten?
29 - De waarde van deze weerstand is:
30 - Een zender werkt met een klasse van uitzending F3E (FM).
Het gemiddelde vermogen dat door de eindtrap aan de antenne-inrichting wordt afgegeven bedraagt 8 watt.
Volgens de "gebruiksbepalingen"is het zendvermogen:
31 - De seriekring is in resonantie.
De impedantie is:
33 - Een bandfilter past men toe in:
34 - De henry is de eenheid van:
35 - Een VHF-zender wordt in frequentie gemoduleerd met een lf-signaal.
Het VHF-signaal heeft:
36 - Een radiozendamateur maakt vanuit de auto een verbinding op 2 meter.
Tot zijn schrik merkt hij dat hij een zakelijke afspraak niet kan nakomen.
Hij vraagt aan de radiozendamateur met wie hij verbinding heeft dit telefonisch door te geven.
37 - Dit is het schema van een:
38 - een squelch-schakeling dient om:
39 - In de algemene bepalingen van de Telecommunicatiewet komt de volgende definitie voor:
"(-X-): apparaten die naar hun aard bestemd zijn voor het zenden of het zenden en ontvangen van
radiocommunicatiesignalen."
In plaats van (-X-) staat:
40 - De radialen van een groundplane antenne voor de 2-meter band hebben een lengte van ongeveer: