inleiding examens

Proefexamen  N najaar 2008 - 3


1- Welke stof is een basismateriaal voor halfgeleiders?

germanium polystyreen aluminium
 

2 - Radiozendamateurs met een F-registratie bij Agentschap Telecom, mogen CW-verbindingen maken op 135,7 - 137,8 kHz.

 

     Dit is een golflengte van ongeveer:

22 kilometer 220 meter 2,2 kilometer
 

3 - Bij een FM-zender wordt door het moduleren het aan de antenne afgegeven vermogen:

groter niet veranderd kleiner
 

4 - De bandbreedte van een FM-signaal:

is alleen afhankelijk van de amplitude van het modulerende signaal is afhankelijk van de amplitude en de frequentie van het modulerende signaal is alleen afhankelijk van de frequentie van het modulerende signaal
 

5 - Een potentiometer is:

een meetinstrument voor het meten van potentiaalverschil een meetinstrument voor het meten van weerstand

een weerstand met verplaatsbare aftakking

 

6 - In de weerstand R wordt een vermogen gedissipeerd van:

     

 

10 W 80 W 20 W
 

7 - In R3 wordt een vermogen gedissipeerd van 2 watt.

    

     Het vermogen dat in R1 gedissipeerd wordt is:

8 W 4 W 16 W
 

8 - Een condensator met een capaciteit van 200 µF is een:

luchtcondensator micacondensator elektrolytische condensator
 

9 - In welke schakeling geleidt de diode?

    

schakeling 2 schakeling 1 schakeling 3
 

10 - Voor een constante uitgangsspanning dient de ingangsspanning:

       

hoger te zijn dan de zenerspanning gelijk te zijn aan de zenerspanning lager te zijn dan de zenerspanning
 

11 - De aansluitingen van een transistor worden genoemd:

basis, emitter en drain emitter, basis en collector collector, basis en source
 

12 - Drie weerstanden van elk 300 ohm worden parallel geschakeld.

 

        De vervangingswaarde is:

100 W 300 W 900 W
 

13 - De vervangingsweerstand is:

       

40 W 10 W 2,5 W
 

14 - Drie condensatoren van 30 nanofarad worden in serie geschakeld.

     

        De vervangingscapaciteit is:

30 nanofarad 90 nanofarad 10 nanofarad
 

15 - Drie condensatoren van respectievelijk 200, 300 en 600 pF worden in serie geschakeld.

 

        De vervangingscapaciteit is:

100 pF 1100 pF 120 pF
 

16 - In een hoogfrequentkring wordt een vaste condensator van 80pF in serie geschakeld met een variabele condensator.

        De capaciteit van de variabele condensator kan worden ingesteld tussen 20 en 80 pF.

 

        De kring ziet een capaciteitsvariatie van:

4 tot 40 pF 16 tot 40 pF 20 tot 80 pF

17 - Indien van een seriekring de zelfinductie wordt verdubbeld, zal de resonantiefrequentie:

2 maal zo laag worden gehalveerd worden 2 maal zo hoog worden
 

18 - De resonantiefrequentie van een afstemkring wordt bepaald door:

uitsluitend de zelfinductie van de spoel de capaciteit van de condensator en de zelfinductie van de spoel uitsluitend de capaciteit van de condensator
 

19 - Aan de antenne-ingang van een TV-ontvanger voor 50 MHz en hoger wordt een filter geplaatst om oversturing

        door een hf-amateurzender te voorkomen.

   

         Dit moet zijn een:

bandsperfilter voor frequenties van 50 MHz tot 1000 MHz hoogdoorlaatfilter voor frequenties boven de 50 MHz laagdoorlaatfilter voor frequenties tot 30 MHz
 

20 - Met een superheterodyne-ontvanger wordt en signaal ontvangen van 1 MHz.

        De oscillatorfrequentie is 550 kHz.

 

        De middenfrequentversterker is afgestemd op:

0,55 MHz 0,45 MHz 1,50 MHz
 

21- Wat is de juiste volgorde van trappen in een FM-zender

hoogfrequentversterker - oscillator - frequentievermenigvuldiger - eindtrap frequentievermenigvuldiger - hoogfrequentversterker - oscillator - eindtrap oscillator - frequentievermenigvuldiger - hoogfrequentversterker - eindtrap
 

22 - In een amateurstation wordt het laagdoorlaatfilter in de antennekabel gebruikt om:

signalen hoger in frequentie dan de zendfrequentie te verzwakken signalen lager in frequentie dan de zendfrequentie te verzwakken signalen op de zendfrequentie te verzwakken
 

23 - Een enkelzijbandzender werkt met een draaggolfoscillator op 1 MHz.

        Het zijbandfilter laat uitsluitend signalen in de lage zijband door.

 

        Voor spraaksignalen met frequenties tussen 300 Hz en 3000 Hz zijn de grenzen van de doorlaatband van dit filter:

997 kHz en 999,7 kHz 997 kHz en 1003 kHz 1000,3 kHz en 1003 kHz
 

24 - De lengte van een halvegolf dipool voor de 7 MHz band is ongeveer:

20,4 M 40,8 M 10,2 M
 

25 - In de UHF-band ligt de frequentie:

144 MHz 432 MHz 136 kHz
 
26 - Na inval van de schemering zijn signalen van ver verwijderde zenders op de 80-meter band sterker omdat:
de D-laag is verdwenen de D-laag dikker is geworden de F-laag is gestegen
 

27 - De eigenschappen in de troposfeer bepalen in belangrijke mate de voortplanting van radiogolven in de:

VHF en HF-band HF-band VHF-band
 

28 - Onder troposfeer wordt verstaan het gedeelte van de atmosfeer boven het aardoppervlak:

tussen zee-niveau en ongeveer 10 km hoogte tussen 80 en 120 km hoogte tussen 120 en 500 km hoogte
 

29 - Drie stroommeters hebben een meetgebied van 1 ampère.

 

       De beste stroommeter is de meter:

waarover bij een stroom 1 ampère een spanning van 0,1 volt staat die een inwendige weerstand van 1 W heeft die een inwendige weerstand van 10 MW heeft
 

30 - Om het opgenomen vermogen van de zender te meten gebruikt men een voltmeter en een ampèremeter.

       

        Het opgenomen vermogen bedraagd:

1,5 W 96 W 18 W
 

31 - Van een niet aangesloten kring is de resonantiefrequentie te bepalen met een:

dipmeter universeelmeter frequentieteller
 

32 - Van een amplitude-gemoduleerde 2-meter zender is de modulatie hoorbaar uit de luidspreker van een TV-ontvanger,

        zelfs als de volumeregelaar hiervan op minimum is ingesteld.

 

        De juiste conclusie is:

in de laagfrequentversterker van de TV-ontvanger treden detectieverschijnselen op de TV-antenne heeft te weinig richteffect de storing zal verdwijnen als in de zender enkelzijbandmodulatie wordt toegepast
 

33 - Veiligheidsaarde wordt aangebracht met als doel:

de antenne-retourstroom mogelijk te maken het chassis (massa) van de zendinstallatie op aardpotentiaal te brengen een mogelijk potentiaalverschil tussen nul van het net en aarde op te heffen
 

34 - In netvoedingen moet de aarddraad van het netsnoer worden verbonden met het metalen chassis.

 

        Hierdoor zal in alle gevallen dat er iets fout in de voeding optreedt:

het chassis geen hoge spanning ten opzichte van aarde krijgen de aardlekschakelaar aanspreken de netveiligheid aanspreken
 

35 - U moet een reparatie uitvoeren aan een 300 volt voeding.

 

        Na het uitschakelen van de netspanning neemt u de volgende veiligheidsmaatregel:

u ontlaadt alle condensatoren u wacht nog ongeveer 5 minuten voordat u begint u verwijdert de zekeringen
 

36 - IARU-bandplannen dienen om:

aan iedere amateur een vaste frequentie toe te wijzen de storing tussen amateurstations onderling te verminderen de bandbreedte van amateuruitzendingen te beperken
 

37 - In de algemene bepalingen van de Telecommunicatiewet komt de volgende definitie voor:

 

        "(-X-): apparaten die naar hun aard bestemd zijn voor het zenden of het zenden en ontvangen van radiocommunicatiesignalen."

 

        In plaats van (-X-) staat:

radio-ontvangapparaten radiozendapparaten radioversterkerapparaten
 

38 - Een zendamateur zend uit in de klasse van uitzending J3E (EZB).

        Het door de direct met de antenne-inrichting te koppelen trap van het radiozendapparaat afgegeven gemiddeld vermogen,

        gerekend over een periode van de hoogfrequent uitgangswisselspanning tijdens het maximum van de omhullende,

        bedraagt 100 watt.

 

         Volgens de "gebruiksbepalingen" is het zendvermogen:

400 W 100 W 200 W

39 - Een radiozendamateur in de categorie N zendt uit op 145,798 MHz.

 

        Dit is:

toegestaan met F3E als klasse van uitzending toegestaan niet toegestaan
 

40 - Een radiozendamateur met een N-registratie mag:

op 433,400 MHz zenden met een vermogen van 50 W op 446,500 MHz zenden met een vermogen van 25 W op 433,000 MHz zenden met een vermogen van 25 W