inleiding examens

Proefexamen  N najaar 2008-1


1- Door de weerstand loopt een stroom van I ampère.

 

     De spanning over deze weerstand is evenredig met:

    

A B C
 

2 - De stroom door de weerstand R is:

     

1 A 5 A 7,5 A
 

3 - Een radiogolf met een golflengte van 60 meter heeft een frequentie van:

18 MHz 5 MHz 0,5 MHz
 

4 - Audiosignalen bestrijken de frequentieband:

0 -1.500 Hz 100 - 100.000 kHz 20 - 20.000 Hz
 

5 - In weerstand R1 wordt 10 watt gedissipeerd.

      Het gedissipeerde vermogen in de gehele schakeling is:

    

7 W 5 W

20 W

 

6 - R dissipeert 4 watt.

      Het gedissipeerd vermogen van de gehele schakeling is:

    

6 W 12 W 8 W
 
7 - Op een condensator staat vermeld: 200pF / 5%.

     De waarde ligt dan tussen:

190 en 210 pF 180 en 220 pF 195 en 205 pF
 

8 - Variabele condensatoren worden gevormd door twee geleiders met daartussen een diëlectricum.

 

      Ze worden veelal toegepast voor:

het regelen van de zelfinductie afstemming en afregeling het regelen van de diëlektrische constante
 

9 - De weerstand R is

     

100 W 2.500 W 200 W
 

10 - De aansluitingen van een transistor worden genoemd:

emitter, basis en collector basis, emitter en drain collector, basis en source
 

11 - Als transistoroscillator kan het best worden gebruikt:

       

Schakeling 1 schakeling 2 schakeling 3
 

12 - De vervangingswaarde is:

       

9 nF 3 nF 6 nF
 

13 - Onafhankelijk van de waarden van de onderdelen geldt bij resonantie:

       

A B C
 

14 - De resonantiefrequentie van een afstemkring wordt bepaald door:

uitsluitend de capaciteit van de condensator de capaciteit van de condensator en de zelfinductie van de spoel uitsluitend de zelfinductie van de spoel
 

15 - De serieresonantiefrequentie van deze schakeling wordt bepaald door:

      

A B C
 

16 - Welk schema stelt een resonantiekring voor?

       

schema 3 schema 1 schema 2

17 - Aan de antenne-ingang van een TV-ontvanger voor 50 MHz en hoger wordt een filter geplaatst om oversturing door een

        HF-amateurzender te voorkomen.

        Dit moet zijn een:

bandsperfilter voor frequenties van 50 MHz tot 1000 MHz hoogdoorlaatfilter voor frequenties boven 50 MHz laagdoorlaatfilter voor frequenties tot 30 MHz
 
18 - Welke filter-karakteristiek is geschikt voor een telefonie SSB-zender?

       

karakteristiek 1 karakteristiek 2 karakteristiek 3
 
19 - Dit is een schema van een:

       

bandsperfilter laagdoorlaatfilter banddoorlaatfilter
 

20 - Dit is een blokschema van een ontvanger.

       

       Het blokje gemerkt met X stelt voor de:

mengtrap detector buffertrap
 

21- In een 2-meter FM-zender worden drie frequentie-vermenigvuldigtrappen toegepast.

       Deze trappen vermenigvuldigen 2 maal, 3 maal en 3 maal.

 

       De oscillatorfrequentie is ongeveer:

24 MHz 8 MHz 12 MHz
 

22 - Aan een frequentieverdrievoudiger wordt een signaal toegevoerd met een zwaai van 1 kHz.

        De zwaai van het uitgangssignaal zal zijn:

1/3 kHz 3 kHz 1 kHz
 
23 - De draaggolffrequentie van een 2-meter FM-zender wordt bepaald door de oscillator en:
de eindtrap de modulatortrap de vermenigvuldigtrappen
 

24 - Op welke frequentie is de antenne in resonantie?

       

ongeveer 100 MHz ongeveer 150 MHz ongeveer 200 MHz
 

25 - Verbindingen in de 144 MHz band over grote afstand worden gemaakt via:

de ionosfeerlagen de troposfeer Aurora-reflectie
 

26 - Twee of meer golven van een radiosignaal kunnen verschillende wegen volgen naar de ontvangantenne,

         waardoor de sterkte van het ontvangen signaal varieert.

 

        Deze sterkteverandering heet:

fading reflectie absorptie
 

27 - De eigenschappen in de troposfeer bepalen in belangrijke mate de voortplanting van radiogolven in de:

VHF en HF band VHF band HF band
 

28 - Bij normale condities zullen radiogolven van circa 2 meter golflengte:

zich volgens een vrijwel rechte lijn voortplanten van het aardoppervlak afbuigen met het aardoppervlak meebuigen
 

29 - De meter wijst aan:

        - in stand 1: 6 ampère

        - in stand 2: 2 ampère

 

        De juiste waarde van Rx is:

      

4 W 2 W 6 W
 

30 - Als een digitale universeelmeter als spanningmeter wordt gebruikt is de ingangsweerstand:

laag zeer hoog 10 kW
 

31 - Om de resonantiefrequentie van een kring te bepalen koppelt men een dipmeter:

inductief met de spoel, met zeer losse koppeling inductief met de spoel, met zeer vaste koppeling capacitief met de condensator, met seriecapaciteit
 
32 - Voor koppeling van de zender met de antenne wordt vaak coaxiale kabel gebruikt.

        een belangrijke reden hiervoor is:

goede staandegolfverhouding lage demping afscherming tegen ongewenste straling
 

33 - In netvoedingen moet de aarddraad van het netsnoer worden verbonden met het metalen chassis.

 

        Hierdoor zal in alle gevallen dat er een fout in de voeding optreedt:

de aardlekschakelaar aanspreken de netveiligheid aanspreken het chassis geen hoge spanning ten opzicht van aarde krijgen
 

34 - De beste methode om een ontvanger te beschermen tegen de effecten van een nabije blikseminslag is:

de ontvanger uitschakelen de ontvanger loskoppelen van antenne en lichtnet de ontvangerkast goed aarden
 

35 - De beste manier om een antennemast te aarden is:

de mast verbinden met een koperen aardelektrode de mast te verbinden met een metalen dakgoot de mast te verbinden met de aarde van het lichtnet
 

36 - IARU- bandplannen dienen om:

de bandbreedte van amateuruitzendingen te beperken aan iedere amateur een vaste frequentie toe te wijzen de storing tussen amateurstations onderling te verminderen
 

37 - In de algemene bepalingen van de Telecommunicatiewet komt de volgende definitie voor:

        "(- X -): apparaten die naar hun aard bestemd zijn voor het zenden of het zenden en ontvangen

         van  radiocommunicatiesignalen."

        In plaats van (-X-) staat

radiozendapparaten radio-ontvangapparaten radioversterkerapparaten
 

38 - De wetgever onderscheidt registratie in de categorieën F en N voor het doen van onderzoekingen door

        radiozendamateurs.

 

        Dit onderscheidt bepaald uitsluitend de toegestane:

frequentiebanden en zendvermogens zendvermogens en klasse van uitzending klasse van uitzending en de status op de toegewezen banden
39 - Een radiozendamateur beluistert een radioverbinding tussen twee andere radiozendamateurs.

        Het (her)uitzenden van de opgevangen informatie is:

zonder meer toegestaan nooit toegestaan toegestaan, als deze informatie betrekking heeft op technische onderzoekingen
 

40 - Een radiozendamateur met een N-registratie wil uitzenden op 144,990 MHz in de klasse F1A en een

        bandbreedte van 1,2 kHz.

 

        Dit frequentiegebruik is:

niet toegestaan toegestaan alleen toegestaan onder toezicht van een radiozendamateur met een F-registratie