inleiding examens

Proefexamen  N september 2009


1- De frequentie van het elektriciteitsnet in Nederland bedraagt:

230 Hz 50 Hz 100 Hz
 

2 - Elektromagnetische golven met een frequentie van ongeveer 1,8 MHz:

worden gereflecteerd als gevolg van teperatuurinversie geven bij afstanden van meer dan 500 km in het algemeen `s nachts een betere ontvangst dan overdag zijn uitermate geschikt om afstanden van meer dan 10.000 km te overbruggen
 

3 - Een zender en ontvanger zijn 300 km van elkaar verwijderd.

 

     Wat is de kortste tijd waarin het zendersignaal de ontvanger kan bereiken? 

0,1 milliseconde 0,01 milliseconde 1 milliseconde
 

4 - Voor optimale ontvangst van een in frequentie gemoduleerd telefoniesignaal met een frequentiezwaai van 3 kHz

      moet de ontvanger een bandbreedte hebben van ongeveer: 

50 kHz 3 kHz 12 kHz
 

5 - De mogelijke waarde van een 200 ohm weerstand met een tolerantie van 10% ligt tussen:

195 en 205 190 en 210

180 en 220

 

6 - In R3 wordt een vermogen gedissipeerd van 2 watt.

    

     het vermogen dat in R1 gedissipeerd wordt is: 

8 W 16 W 4 W
 
7 - De capaciteit van een condensator wordt uitgedrukt in:
henry farad watt
 

8 - Wanneer op een condensator met luchtisolatie een hogere spanning wordt aangelegd, zal de capaciteit:

groter worden kleiner worden gelijk blijven
 

9 - Een condensator met een capaciteit van 200 µF is een:

elektrolytische condensator micacondensator luchtcondensator
 

10 - De gebruikelijke waarde van een afstemcondensator voor kortegolftoepassingen is:

100 pF 1 pF 10 nF
 

11 - De weerstand R is:

        

200 100 2.500
 

12 - De aansluitingen van een transistor worden genoemd:

emitter, basis en collector collector, basis en source basis, emitter en drain
 

13 - Wanneer R1 groter gemaakt wordt, dan zal de warmteontwikkeling in R2:

        

gelijk blijven afnemen toenemen
 

14 - De vervangingswaarde is:

        

18 µF 6 µF 2 µF
 

15 - Drie condensatoren van respectievelijk 200, 300 en 600 pF worden in serie geschakeld.

 

       De vervangingscapaciteit is: 

100 pF 120 pF 1100 pF
 

16 - De resonantiefrequentie van een afstemkring wordt bepaald door:

uitsluitend de capaciteit van de condensator de capaciteit van de condensator en de zelfinductie van de spoel uitsluitend de zelfinductie van de spoel

 

17 - Welke karakteristiek behoort bij een hoogdoorlaatfilter?

        

karakteristiek 3 karakteristiek 2 karakteristiek 1
 

18 - De bandbreedte van een FM-ontvanger wordt bepaald door:

de antennekring de oscillatorkring het mf-filter
 

19 - Een bandfilter past men toe in:

de laagfrequentversterker de middenfrequentversterker een voedingsapparaat
 

20 - een squelch-schakeling dient om:

spiegelfrequentie(s) te onderdrukken vonkstoringen te onderdrukken ruis te onderdrukken als geen signaal wordt ontvangen
 

21- De functie van een stuurtrap in een FM-zender is het:

opwekken van de zendfrequentie uitsturen van de eindtrap moduleren van de draaggolf
 

22 - De radialen van een groundplane antenne voor de 2-meter band hebben een lengte van ongeveer:

50 cm 100 cm 25 cm
 

23 - Van een drie-elements yagi moet de voedingslijn worden aangesloten op:

de director de straler de reflector
 

24 - Welk figuur stelt een eindgevoede halvegolfantenne voor?

       

figuur 3 figuur 1 figuur 2
 

25 - Lange afstand communicatie op HF-banden wordt mogelijk gemaakt door het afbuigen van radiogolven in de:

troposfeer ionosfeer stratosfeer
 
26 - Fading of sluiering van radiogolven beneden 30 MHz ontstaat doordat:
ze langs meer dan een (1) pad de ontvangantenne bereiken de D-laag alleen overdag aanwezig is en deze de radiogolven grotendeels absorbeert de absorptie van de D-laag afneemt met toenemende frequentie
 

27 - een zonnevlekkenmaximum komt voor, (gemiddeld) eens per:

15 jaar 11 jaar 9 jaar
 

28 - De afstand, waarover in de 2-meter band een verbinding gemaakt kan worden, wordt soms sterk vergroot door:

een relatief hoog aantal zon-uren per dag veel stof in de lucht buiging in luchtlagen van verschillende temperatuur
 

29 - De stroom die een gelijkstroomvoeding levert wordt met een universeelmeter gemeten.

 

       De meter gedraagt zich als een: 

isolator weerstand met lage waarde weerstand met hoge waarde
 

30 - Een 2-meter zender veroorzaakt storing in de ontvangst van een UHF-televisie-uitzending.

 

        De oorzaak hiervan is: 

onvoldoende onderdrukking van harmonischen in de 2-meter zender geen goede aanpassing van de zendantenne een te grote frequentiezwaai van de 2-meter zender
 

31 - Een amateurzender veroorzaakt storing in een elektronisch orgel.

 

      De oorzaak hiervan kan zijn: 

de zender heeft een te grote bandbreedte de zender straalt harmonischen uit in het orgel treedt ongewenste detectie op
 
32 - Een nadeel van een kwartgolf draadantenne zonder voedingslijn is:
Het punt van maximale straling ligt vlakbij de zender de zeer hoge spanning die kan optreden op het voedingspunt de even harmonischen worden niet onderdrukt
 

33 - Een voeding wordt beveiligd met een (1) of meer smeltveiligheden in de netleiding.

 

       Dit wordt in de praktijk gedaan met: 

een (1) trage zekering een snelle en een trage zekering parallel een (1) snelle zekering
 

34 - Bewering 1:

        Een enkelzijbandzender met onderdrukte draaggolf wordt gemoduleerd met een spraaksignaal.

        De klasse van uitzending is J3E.

       Bewering 2:

       Een FM-zender zendt datasignalen uit.

       De klasse van uitzending is F1D.

 

       Wat is juist? 

alleen bewering 1 bewering 1 en bewering 2 alleen bewering 2
 

35 - Een AM-zender wordt gemoduleerd met spraak.

 

       De klasse van uitzending is: 

A3E F1D F3A
 

36 - In de algemene bepalingen van de Telecommunicatiewet komt de volgende definitie voor:

       "(-x-): apparaten die naar hun aard bestemd zijn voor het zenden of het zenden en ontvangen van radiocommunicatiesignalen." 

 

       In plaats van (-X-) staat: 

radiozendapparaten radioversterkerapparaten radio-ontvangapparaten
 

37 - Een registratie voor het gebruik van frequentieruimte voor het doen van onderzoekingen door radiozendamateurs

       wordt uitgevoerd namens de Minister van: 

Economische Zaken Binnenlandse Zaken Verkeer en Waterstaat
 

38 - In de "gebruiksbepalingen" wordt onder het radiostation verstaan:

een of meer radiozendapparaten met uitzondering van radiozendapparaten die niet op het vaste adres staan opgesteld een of meer radiozendapparaten met de daarbij behorende ontvangers een of meer radiozendapparaten met de daartoe behorende antenne-inrichtingen

 

39 - Volgens de "gebruiksbepalingen" wordt onder het zendvermogen van een FM-zender verstaan:

het aan de eindtrap geleverde gelijkstroomvermogen het door de antenne effectief uitgestraalde vermogen het door de zender afgegeven hoogfrequentvermogen
 

40 - Een radiozendamateur met een N-registratie mag in de 70-cm band:

alleen telegrafie uitzendingen doen alleen telefonie uitzendingen doen zowel telefonie als telegrafie uitzendingen doen