Proefexamen  C najaar 1999


1- Een radiozendamateur ondervindt tijdens een verbinding met een andere    
    radiozendamateur veel last van onweersstoringen:

    hij wil deze verbinding beëindigen en de verbinding op een later tijdstip met kleiner

    vermogen hervatten.

 

     Met welke Q-codes maakt hij dit aan de andere radiozendamateur kenbaar?

QRM, QRP, QRZ QRN, QRT, QRZ QRN, QRX, QRP QSB, QRV, QSY
 

2 - In het telegrafieverkeer is de gebruikelijke afkorting om een lopende uitzending te

      onderbreken:

STP BRK BK K
 

3 - Volgens het Internationale Radioreglement is radiocommunicatie tussen amateur-
     stations van verschillende landen:

altijd toegestaan alleen toegestaan als in het internationale amateuroverleg hierover een overeenkomst is bereikt alleen toegestaan voor amateurs die hebben aangetoond teksten in morseschrift correct met de hand te kunnen seinen en correct op het gehoor kunnen ontvangen verboden indien de administratie van een der betrokken landen heeft laten weten hiertegen bezwaar te hebben
 

4 - Bij onderzoek naar aanleiding van een klacht blijkt dat uw amateurzendapparaat 

     storing veroorzaakt in een mobilofoonkanaal van de politie.

     De Minister van Verkeer en Waterstaat is in dit geval bevoegd:

     1 - het amateurzendapparaat in beslag te nemen en op Uw kosten te vernietigen;

     2 - een geheel of gedeeltelijk zendverbod op te leggen

 

Juist is:

zowel 1 als 2 alleen 1 alleen 2 geen van beide
 

5 - Tijdens uitzendingen op frequenties, waarop de Amateurdienst met een secundaire

      status is toegelaten, is de radiozendamateur verplicht: 
      

te allen tijde voorrang te verlenen aan diensten met een primaire status te allen tijde voorrang te verlenen aan andere diensten met een secundaire status te allen tijde voorrang te verlenen aan diensten die een gelijke status hebben als de amateurdienst voorrang te verlenen aan alle diensten als blijkt dat zijn uitzending storing veroorzaakt
 

6 - Tabel van artikel 10 van de "Voorschriften en beperkingen":

         

      Het zendvermogen van een 2-meter FM-zender is 10 watt.

      Het vermogen van ongewenste hoogfrequentcomponenten in de frequentieband 9 kHz

      - 40 MHz mag per component niet meer bedragen dan:

100 microwatt 100 milliwatt 10 microwatt -40 dB ten opzichte van het zendvermogen
 
7 - De wisselstroom loopt door een weerstand van 10 Ohm

     

     Het opgenomen vermogen is:

10 W 100 W 500 W 1000 W
 

8 - De ampèremeter met een inwendige weerstand Ri wijst 4 ampère aan. 

     Met gesloten schakelaar S wijst de ampèremeter 7 ampère aan.

     De spanning U en de inwendige weerstand Ri zijn:  

24,5 V en 0,5 Ohm 26 V en 0,5 Ohm 26 V en 1 Ohm 28 V en 1 Ohm
 

9 - Om het elektrische veld tussen twee geleiders af te schermen van de omgeving dient

      men:

een van de geleiders te aarden tussen de geleiders een condensator aan te brengen om beide geleiders samen een omhulsel van metaal aan te brengen om beide geleiders samen een omhulsel van een isolerende stof aan te brengen
 

10 - Een sinusvormige spanning van 100 Veff heeft op t=0 een nuldoorgang van

        negatief naar positief.

 

        Een kwart periode later is de momentele waarde:

-141,4 V +70,7 V +100 V +141,4 V
 

11 - Als van een wisselspanning de tijdsduur van één periode 0,008 seconde bedraagt,

        is de frequentie:

0,008 Hz 0,48 Hz 125 Hz 7500 Hz
 

12 - Een zendereindtrap, ingesteld in klasse B, wordt maximaal uitgestuurd door een

        100% in amplitude gemoduleerde draaggolf.

        Het uitgangsvermogen van de draaggolf is 100 watt.

 

        Als deze eindtrap maximaal wordt uitgestuurd door een enkelzijbandsignaal,
        bedraagt het uitgangsvermogen (PEP):

50 W 100 W 200 W 400 W
 
13 - Van een transistoreindtrap is het stuurvermogen 1 W, het afgegeven vermogen is 

        4 W.

        De eindtrap neemt vanuit de voeding 1 A op, bij een spanning van 10 V

        dan is:

het rendement 30% en de versterking 6 dB het rendement 40% en de versterking 3 dB het rendement 30% en de versterking 3 dB het rendement 40% en de versterking 6 dB
 

14 - Deze karakteristiek heeft betrekking op:

       

een diode een PNP transistor een weerstand een spanningsbron
 

15 - een condensator bestaat uit twee evenwijdige platen.

        Tussen de platen bevindt zich een materiaal met een diëlektrische constante van 2.

 

         De capaciteit van deze condensator wordt 2 maal zo groot als:

het diëlektrisch materiaal wordt verwijderd de oppervlakte van de platen 2 maal zo klein wordt de afstand tussen de platen 2 maal zo klein wordt de afstand tussen de platen 2 maal zo groot wordt
 
16 - Een Pi - filter, tussen de eindtrap van een zender en de antenne,heeft onder andere tot
        doel:
het neutrodyniseren van de eindtrap het voorkomen van overmodulatie het onderdrukken van harmonischen het stabiliseren van het zendvermogen
17 - Door een ideale spoel loopt een sinusvormige stroom.

        De spanning over de spoel is:

in fase met de stroom 90° naijlend op de stroom in tegenfase met de stroom 90° voorijlend op de stroom
 
18 - De spoelen van de eindtrap van een zender worden bij voorkeur gemaakt van:
verzilverd koperdraad verkoperd ijzerdraad vertind koperdraad aluminiumstrip
 
19 - Een capaciteitsdiode (varicap) wordt vaak gebruikt om:
een stroom te variëren een oscillator te verstemmen een spanning constant te houden een signaal gelijk te richten
 
20 - In de versterker is een siliciumtransistor toegepast.

       

        De meest geschikte waarde voor de collectorweerstand is:

1 k Ohm 3,9 k Ohm 10 k Ohm 39 k Ohm
 
21- De spanning over R2 = 60 volt.
      

     de spanning U is:

90 V 96 V 100 V 150 V
 
22 - de ingangen X en Y worden voorzien van de hier geschetste signalen.

        

        Het uitgangssignaal Q verloopt volgens:

       

A B C D
 
23 - De spanningsbronnen hebben een inwendige weerstand van 0 ohm.
      

       De spanning over R wordt weergegeven door:

     

A B C D
 
24 - Het opgenomen vermogen is:
 
1,6 W 2,8 W 2 W 10 W
 
25 - De waarde van U1 en U2 is:
U1 = 15V en U2 = 15 V U1 = 20 V en U2 = 10 V U1 = 10 V en U2 = 20 V U1 = 24 V en U2 = 6 V
 
26 - Een seriekring heeft een resonantiefrequentie van 100 MHz.

        Voor een signaal van 90 MHz gedraagt deze kring zich als een:

condensator doorverbinding weerstand spoel
 
27 - dit is het schema van een:
banddoorlatend filter  bandsperrend filter hoogdoorlatend filter laagdoorlatend filter
 

28 - Welke van de schakelingen kan worden toegepast om een negatieve en een positieve

        gelijkspanning te krijgen?

   

zowel  X als Y alleen X alleen Y geen van beide schakelingen
 

29 - Van de transistor is de Hfe = 100

       

        Welke bewering is juist?

U1 = 0,1 V, U2 = 0,1 V en hebben tegengestelde fase U1 = 0,1 V, U2 = 0,1 V en hebben dezelfde fase U1 = 0 V en U2 = 10 V de ingangsspanning is te klein om enig effect op U1 en U2 te hebben
 
30 - een OpAmp is een:
gelijkstroomgekoppelde versterker met een zeer hoge ingangsimpedantie wisselstroomgekoppelde versterker met een zeer hoge ingangsimpedantie wisselstroomgekoppelde versterker met een zeer lage uitgangsimpedantie gelijkstroomgekoppelde versterker met een zeer hoge uitgangsimpedantie
 
31 - Detectie van het laagfrequentsignaal gebeurt door:

        zie schema bij vraag 32.

alleen D1 alleen D2 D1 en D2 Q4
 
32 -  de middenfrequentselectiviteit wordt bepaald door de kring(en) met:

L3 L6 L25 en L26 L10, L11, L13, L15
 
33 - De kring L1/C1 heeft tot doel:

       zie schema bij vraag 32

de ontvanger tegen hoge spanningen op de antenne te beschermen het onderdrukken van stations op de middenfrequentie de bandbreedte van de ontvanger te verkleinen het doorlaten van het te ontvangen station
 
34 - De schakeling werkt als overtone - oscillator.

       

        Stelling 1: de kring is afgestemd op de tweede harmonische van her kristal;

        Stelling 2: het kristal werkt in serie - resonantie.

        Wat is juist? 

stelling 1 en 2  alleen stelling 1 alleen stelling 2 geen van beide stellingen
 
35 - een betere frequentiestabiliteit van een 2 - meter zender kan worden verkregen door:
de eindtrap in klasse C in te stellen de eindtrap in klasse B in te stellen de voedingsspanning van de oscillator te stabiliseren de antenne goed aan te passen
 
36 - De schakeling stelt voor:
een buffer (scheidingstrap) een variabele frequentie oscillator een frequentiemodulator een fasemodulator
 
37 - De kans dat een zender te veel harmonischen uitstraalt is het grootst als de eindtrap

        wordt ingesteld in:

klasse A klasse B klasse C klasse AB
 

38 - De antenne is ontworpen voor de 80- en 40- meter amateurband.

        In de antenne zijn 2 gelijke "traps' opgenomen .

       

Stelling 1: De "traps" gedragen zich op 40 meter als een sperfilter waardoor de     

                    eindstukken van de antenne niet meewerken;

Stelling 2: de "traps" gedragen zich op 80 meter als een capacitieve reactantie,

                    waardoor beide eindstukken worden aangekoppeld.

 

          Wat is juist :

stelling 1 en 2 alleen stelling 1 alleen stelling 2 geen van beide stellingen
39 - Aan het eind van het stralende element van een kwartgolf zendantenne

        (groundplane):

zijn de hoogfrequente spanning en de stroom het hoogst zijn de hoogfrequente spanning en de stroom het laagst de hoogfrequente stroom het hoogst en de hoogfrequente spanning het laagst de hoogfrequente stroom het laagst en de hoogfrequente spanning het hoogst 
 
40 - Voor een golfpijp geldt dat deze :
signalen op elke frequentie kan transporteren signalen beneden een bepaalde grensfrequentie kan transporteren signalen boven een bepaalde grensfrequentie kan transporteren alleen ongemoduleerde signalen kan transporteren 
 
41 - De staandegolfmeter (SWR) is gemaakt voor een impedantie van 50 Ohm.

        De antenne-aanpassingseenheid (ATU) wordt zo afgeregeld dat de staandegolfmeter

        1 aanwijst.

       

        Er is nu een staandegolfverhouding van 1 bereikt in:

kabel 1 en kabel 2 alleen kabel 1 alleen kabel 2 geen van beide kabels
 
42 - De karakteristieke impedantie van beide stukken voedingslijn is 100 Ohm.

       

        De ingangsimpedantie Zi is:

25 Ohm 50 Ohm 100 Ohm 200 Ohm
 
43 - De reflectie van elektromagnetische golven door de ionosfeer is het minst afhankelijk

        van:

de frequentie de polarisatie het jaarseizoen de tijd van de dag
 
44 - Bij welke schakeling staat de wijzer van de meter precies op het einde van de schaal?

        (de meters mogen als ideaal worden verondersteld).

        
       

A B C D
 
45 - Radiogolven waarvan de frequentie hoger is dan de kritische frequentie, worden bij

        verticale opstraling door de ionosfeerlagen:

geabsorbeerd gereflecteerd doorgelaten teruggebogen
 

46 - Het bepalen van het afgegeven hoogfrequentvermogen van een zender 

        geschied door:

 

een dipmeter op de zenderuitgang aan te sluiten de zender af te sluiten met een juiste afsluitweerstand en de spanning met de draaispoelvoltmeter te meten de zender af te sluiten met een juiste afsluitweerstand en daarover met een geschikte oscilloscoop de spanning te bepalen de stroom die door een juiste afsluitweerstand loopt te meten met een draaispoel ampèremeter
 
47 - In een frequentieteller bepaalt een 100 kHz kristal de meettijd.

        Het kristal heeft een afwijking van 1 Hz.

       Met deze teller wordt de frequentie van het 145 MHz signaal gemeten.

 

       De meetfout is dan:

1 Hz 145 Hz 1 kHz 1,45 kHz
 
48 - Een radiozendamateur werkt met CW op 28,01 MHz.

        Zijn buurman luistert op 27 MHz en merkt dat de ontvangst van zwakke signalen

        onderbroken wordt in het seintempo van de amateur.

 

        De waarschijnlijke oorzaak is:

blokkering van de 27 MHz ontvanger door het 28 MHz signaal harmonischen van de amateurzender verkeerd aangepaste ontvangantenne intermodulatie
 
49 - Op grote afstand van een 21 MHz zender worden rasterstoringen ondervonden in

        de televisieontvangst op kanaal 4 (63 MHz)

 

        De storingen kunnen worden opgeheven door:

de afscherming van de antennekabel van de televisieontvanger te verbeteren frequentiemodulatie in de zender toe te passen bij de televisieontvanger afgestemde antenneversterkers toe te passen de harmonischen uitstraling van de zender te verminderen
 

50 - Een dipool wordt gevoed met behulp van een open lijn (kippenladder).

        Het zendvermogen is 100 watt.

 

        Ter beveiliging tegen aanraking van de open lijn kunt U het beste:

geïsoleerd draad toepassen ongeïsoleerd draad toepassen een waarschuwingsbord bij de open lijn plaatsen veel spreiders toepassen