Proefexamen C NAJAAR 2004
|
5 - Gedurende een uitzending dient de radiozendamateur zijn roepletters te vermelden: |
|||
| regelmatig | op verzoek van het tegenstation | ten minste een maal per 10 minuten | ten minste eenmaal per 5 minuten |
|
6 - De roepletters G5BEQ worden volgens het spellingsalfabet gespeld als: |
|||
| Golf Vijf Bravo Echo Quebec | George Vijf Bravo Echo Quebec | Golf Vijf Baker Echo Quebec | George Vijf Baker Echo Quebec |
|
7 - De stroom welke door de kortsluitdraad tussen X en Y vloeit is: (let op de polariteit)
|
|||
| 0,5 A | 1 A | 1,5 A | 2,5 A |
|
8 - De ampèremeter met een inwendige weerstand Ri wijst 4 ampère aan. Met gesloten schakelaar S wijst de ampèremeter 7 ampère aan.
De spanning U en de inwendige weerstand Ri zijn: |
|||
| 24,5 V en 0,5 Ω | 26 V en 0,5 Ω | 26 V en 1 Ω | 28 V en 1 Ω |
|
9 - Afscherming tegen elektrische velden wordt bereikt door toepassing van: |
|||
| een onbewerkte printplaat | een spoel naar aarde | een ontkoppelcondensator | een LC-kring in resonantie |
|
10 - De golflengte van een signaal wordt bepaald door: |
|||
| de frequentie en de periodeduur | de frequentie en de voortplantingssnelheid | de amplitude en de frequentie | de amplitude en de voortplantingssnelheid |
|
11 - Een sinusvormige spanning van 100 Veff heeft op t=0 een nuldoorgang van negatief naar positief.
Een halve periode later is de momentele waarde: |
|||
| -141,4 V | 0 V | + 50 V | +141,4 V |
|
12 - Een sinusvormig signaal is opgeteld bij een gelijkspanning.
|
|||
| 10 V | 7,07 V | 6,37 V |
5 V |
|
13 - Een zendereindtrap, ingesteld in klasse B, wordt maximaal uitgestuurd door een 100%
in amplitude gemoduleerde
draaggolf.
het uitgangsvermogen (PEP):
|
||||
| 50 W | 100 W | 200 W | 400 W | |
|
14 - Hoeveel vermogen wordt gedissipeerd in de verzwakker?
| |||
| 10 W | 9 W | 5 W | 1 W |
|
15 - Een weerstand waarvan de weerstandswaarde sterk toeneemt bij toenemende temperatuur, is een: |
|||
| NTC-weerstand | PTC-weerstand | Metaalfilmweerstand | Koolweerstand |
|
16 - De condensator van 1 µF wordt vervangen door een condensator van 2 µF.
|
||||
| 0 A | 0,7 A | 1 A | 2 A | |
|
17 - Een draaggolf is 100% in amplitude gemoduleerd met één laagfrequent sinusvormig
signaal. in figuur:
|
||||
| A | B | C | D | |
|
18 - Een ideale transformator heeft een primaire wikkeling van 9 windingen en een secundaire
van 3 windingen.
|
|||
| 10 pF | 30 pF | 270 pF | 810 pF |
|
19 - De belastingsstroom Ibel varieert van 100 tot 300 mA.
|
|||
| 1 W | 3 W | 4 W | 8 W |
|
20 - De voltmeter wijst 5 volt
aan en heeft een inwendige weerstand van 2 kΩ.
|
|||
| 0,5 kΩ | 2 kΩ | 10 kΩ | 200 kΩ |
|
21 - Rk wordt berekend uit de waarden:
|
||||
| Ua en Ia | Ub en Ia | Uk en Ia | Uk en Ig | |
|
22 - Deze waarheidstabel, waarin Q de uitgang is, behoort bij een:
|
|||
| OF-poort (OR) | NOF-poort (NOR) | EN-poort (AND) | NEN-poort (NAND) |
|
23 - De spanning over R2 = 60 volt.
|
||||
| 90 V | 96 V | 100 V | 150 V | |
|
24 - De condensator in de schakeling moet minstens geschikt zij voor een spanning van:
|
||||
| 50 V | 75 V | 100 V | 150 V | |
|
25 - In de praktijk wordt met de condensator:
|
||||
| de tijdconstante ingesteld | de weerstand ontkoppeld | de afstemming ingesteld | de kwaliteitsfactor ingesteld | |
|
26 - Voor het meten van het door een zender opgenomen gelijkstroomvermogen wordt gebruik gemaakt van: |
||||
| alleen een ampèremeter | alleen een voltmeter | een ohmmeter | een ampèremeter en een voltmeter | |
|
27 - Als voedingsgelijkrichter kan worden toegepast:
|
||||
| A | B | C | D | |
|
28 - De beste schakeling voor de ingang van een hoogfrequentversterker is:
|
||||
| A | B | C | D | |
|
29 - C2 is vijf maal zo groot als C1.
De schakeling werkt: |
||||
| als
oscillator zowel met een kristal in parallel- als in serieresonantie |
als oscillator met het kristal in parallelresonantie | als oscillator met het kristal in serieresonantie | niet als oscillator | |
|
30 - Van een fase-regellus is het met een + aangegeven onderdeel:
|
||||
|
de spanninggeregelde oscillator |
de programmeerbare deler |
de fasevergelijker |
de referentie-oscillator |
|
|
31 - Een ontvanger is afgestemd op 1 MHz. De middenfrequentie bedraagt 450 kHz.
De ingestelde frequentie van blok X bedraagt: |
||||
| 450 kHz | 1000 kHz | 1450 kHz | 1900 kHz | |
|
32 - In de mengtrap van een superheterodyne ontvanger wordt het hoogfrequentsignaal: |
||||
| in frequentie gemoduleerd | hoorbaar gemaakt | in frequentie getransformeerd | gedetecteerd | |
|
33 - In het blokschema is de functie van de meter het aanwijzen van de:
|
||||
| De signaalsterkte | De frequentiezwaai | De afstemfrequentie | Het uitgangsvermogen | |
|
34 - De filters in de hoogfrequentversterker van een ontvanger dienen om: |
||||
| motorstoringen te verminderen | de oscillatorfrequentie te stabiliseren | verafselectiviteit te verbeteren | de spiegelfrequentie te versterken | |
|
35 - Een 144 MHz FM-zender bestaat uit een gemoduleerde oscillator op 9 MHz, gevolgd door vermenigvuldigtrappen. De frequentiezwaai van het uitgangssignaal is 1600 Hz.
|
||||
| 2304 Hz | 1600 Hz | 177 Hz | 100 Hz | |
|
36 -
|
||||
| is het sleutelklikfilter | is een scheidingstrap | zorgt voor de werkpuntstabilisatie van Q1 | is een frequentie-vermenigvuldigings-trap | |
|
37 - Van twee telegrafiezenders (A1A) zijn hieronder de hoogfrequent uitgangssignalen weergegeven.
|
||||
| signaal 1 heeft een grotere bandbreedte dan signaal 2 | signaal 1 heeft een kleinere bandbreedte dan signaal 2 | signaal 1 heeft dezelfde bandbreedte als signaal 2 | er kan geen
conclusie over het verschil in bandbreedte worden getrokken |
|
|
38 - Een amateurzender straalt minder harmonischen uit indien: |
||||
| de eindtrap in klasse A wordt ingesteld in plaats van in klasse C | de voedingsspanning van de oscillator beter wordt gestabiliseerd | de eindtrap in klasse C wordt ingesteld in plaats van in klasse A | een kristaloscillator wordt gebruikt in plaats van een LC-oscillator | |
|
39 - Een gevouwen dipool heeft ten opzichte van een open dipool: |
||||
| kleinere afmetingen | een sterker richteffekt | een lagere aansluitimpedantie | een hogere aansluitimpedantie | |
|
40 - De antenne met de "traps" werkt op 7 en 14 MHz als halvegolf dipool.
De "traps" bevatten elk een: |
||||
| spoel | capaciteit | seriekring afgestemd op 7 MHz | parallelkring afgestemd op 14 MHz | |
|
41 - De polarisatie van een dipool-antenne wordt bepaald door de: |
||||
| hoek van de antenne ten opzichte van het aardoppervlak | aanpassing van de antenne aan de voedingskabel | lengte van de antenne | hoogte van de antenne ten opzichte van het aardoppervlak | |
|
42 - De meest toegepaste coaxiale kabel tussen de zendontvanger en de antenne heeft een karakteristieke impedantie van: |
||||
| 50 ohm | 100 ohm | 300 ohm | 600 ohm | |
|
43 - Van elke coaxkabel is de karakteristieke impedantie en de elektrische lengte gegeven.
De staandegolfmeter (SGM), welke is gemaakt voor 50Ω, geeft ongeveer aan: |
||||
| 0,7:1 | 1,0:1 | 1,4:1 | 2,0:1 | |
|
44 - Radiogolven waarvan de frequentie hoger is dan de kritische frequentie, worden bij verticale opstraling door de ionosfeerlagen: |
||||
| geabsorbeerd | gereflecteerd | doorgelaten | teruggebogen | |
|
45 - Een radioverbinding over lange afstand op 145 MHz is mogelijk door: |
||||
| de afwezigheid van zonnevlekken | de ultra-violette zonnestraling | temperatuurinversie | magnetische stormen | |
|
46 - Het aan de luidspreker toegevoerde vermogen is 200 mW.
|
||||
| 2 mV | 20 mV | 100 mV | 1 V | |
|
47 - Met behulp van een signaalgenerator (G) en een oscilloscoop(O) wordt de resonantiefrequentie van een parallelkring bepaald (1-5 MHz).
oscilloscoop is 10 Mohm.
|
||||
| A | B | C | D | |
|
48 - De tijdbasis van de oscilloscoop is zo ingesteld, dat 1 schaaldeel overeenkomt met 5
milliseconde. |
||||
| 25 Hz | 50 Hz | 1,6 kHz | 40 kHz | |
|
49 - Een radiozendamateur werkt met CW op 28,01 MHz. Zijn buurman luistert op 27 MHz en merkt dat de ontvangst van zwakke signalen onderbroken wordt in het seintempo van de amateur.
|
||||
| blokkering
van de 27 MHz ontvanger door het 28 MHz signaal |
harmonischen van de amateurzender | verkeerd aangepaste ontvangantenne | intermodulatie | |
|
50 - Een aardlekschakelaar beveiligt tegen het optreden van: |
|||
| een potentiaalverschil tussen de nuldraad van het net en aarde | een potentiaalverschil tussen de nuldraad van het net en het chassis | een verschil tussen de stroomsterkte in de nuldraad en de fasedraad | een hoogfrequentstroom naar het net |