Proefexamen  C NAJAAR 2004


1 - Tijdens een morse-verbinding wilt u weten wat de neembaarheid van uw signalen is.

 

      U zendt:

QRK QRT QRV QSO
 

2 - De maximale snelheid waarmee de roepletters bij het begin van de uitzending in morsetekens

      mogen worden geseind is:

 

12 woorden per minuut 20 woorden per minuut 24 woorden per minuut 30 woorden per minuut
 

3 - In de "Voorschriften en beperkingen"wordt onder het amateur-station verstaan:

een of meer radiozend apparaten met de daarbij behorende antenne - inrichtingen een of meer radiozendapparaten met de daarbij behorende ontvanger de radiozendapparaten op het vaste adres een of meer radiozendapparaten met uitzondering van radiozendapparaten die niet op het vaste adres staan opgesteld
 

4 - Definitie zendvermogen:

                      Het door de direct met de antenne - inrichting te koppelen trap van het

                      radiozendapparaat afgegeven gemiddeld vermogen, gerekend over een

                      periode van de (....X....) tijdens het maximum van de omhullende (Peak Envelope

                       Power).

 

     Op plaats (....x....) moet staan:

laagfrequente ingangswisselspanning hoogfrequente ingangswisselspanning laagfrequente uitgangswisselspanning hoogfrequente uitgangswisselspanning
 

5 - Gedurende een uitzending dient de radiozendamateur zijn roepletters te vermelden:

regelmatig op verzoek van het tegenstation ten minste een maal per 10 minuten ten minste eenmaal per 5 minuten
 

6 - De roepletters G5BEQ worden volgens het spellingsalfabet gespeld als:

Golf Vijf Bravo Echo Quebec George Vijf Bravo Echo Quebec Golf Vijf Baker Echo Quebec George Vijf Baker Echo Quebec
 

7 - De stroom welke door de kortsluitdraad tussen X en Y vloeit is:

      (let op de polariteit)

     

0,5 A 1 A 1,5 A 2,5 A
 

8 - De ampèremeter met een inwendige weerstand Ri wijst 4 ampère aan.

      Met gesloten schakelaar S wijst de ampèremeter 7 ampère aan.

     

      De spanning U en de inwendige weerstand Ri zijn:

24,5 V en 0,5 Ω 26 V en 0,5 Ω 26 V en 1 Ω 28 V en 1 Ω
 

9 - Afscherming tegen elektrische velden wordt bereikt door toepassing van:

een onbewerkte printplaat een spoel naar aarde een ontkoppelcondensator een LC-kring in resonantie
 

10 - De golflengte van een signaal wordt bepaald door:

de frequentie en de periodeduur de frequentie en de voortplantingssnelheid de amplitude en de frequentie de amplitude en de voortplantingssnelheid
 

11 - Een sinusvormige spanning van 100 Veff heeft op t=0 een nuldoorgang van negatief

        naar positief.

 

        Een halve periode later is de momentele waarde:

-141,4 V 0 V + 50 V +141,4 V
 

12 - Een sinusvormig signaal is opgeteld bij een gelijkspanning.

        
        De gelijkspanning bedraagt:

10 V 7,07 V 6,37 V

5 V

 

13 - Een zendereindtrap, ingesteld in klasse B, wordt maximaal uitgestuurd door een 100%

        in  amplitude gemoduleerde draaggolf.
        Het uitgangsvermogen van de draaggolf is 100 watt.


        Als deze eindtrap maximaal wordt uitgestuurd door een enkelzijbandsignaal, bedraagt

        het uitgangsvermogen (PEP):

       

50 W 100 W 200 W 400 W
 

14 - Hoeveel vermogen wordt gedissipeerd in de verzwakker?

       

10 W 9 W 5 W 1 W
 

15 - Een weerstand waarvan de weerstandswaarde sterk toeneemt bij toenemende 

        temperatuur, is een:

NTC-weerstand PTC-weerstand Metaalfilmweerstand Koolweerstand
 

16 - De condensator van 1 µF wordt vervangen door een condensator van 2 µF.

       
        De stroom die de meter dan uiteindelijk aanwijst is:

0 A 0,7 A 1 A 2 A

17 - Een draaggolf is 100% in amplitude gemoduleerd met één laagfrequent sinusvormig  

        signaal.
        De in het uitgezonden signaal aanwezige hoogfrequent componenten zijn aangegeven

        in figuur:

       

A B C D
 

18 - Een ideale transformator heeft een primaire wikkeling van 9 windingen en een secundaire

        van 3 windingen.
        Op de secundaire wikkeling wordt een condensator aangesloten van 90 pF.

       
         Op de primaire wikkeling wordt een capaciteit gemeten van:

10 pF 30 pF 270 pF 810 pF
 

19 - De belastingsstroom Ibel varieert van 100 tot 300 mA.

       
        Het maximaal gedissipeerde vermogen door de zenerdiode is:

 

1 W 3 W 4 W 8 W
 

20 - De voltmeter wijst 5 volt aan en heeft een inwendige weerstand van 2 kΩ.
       Van de transistor is de ß = 100.

       
        De ingangsweerstand Ri is ongeveer:

 

0,5 kΩ 2 kΩ 10 kΩ 200 kΩ
 

21 - Rk wordt berekend uit de waarden:

       

Ua en Ia Ub en Ia Uk en Ia Uk en Ig
 

22 - Deze waarheidstabel, waarin Q de uitgang is, behoort bij een:

       

OF-poort (OR) NOF-poort (NOR) EN-poort (AND) NEN-poort (NAND)
 

23 - De spanning over R2 = 60 volt.

       
        De spanning U is:

90 V 96 V 100 V 150 V
 

24 - De condensator in de schakeling moet minstens geschikt zij voor een spanning van:

       

50 V 75 V 100 V 150 V
 

25 - In de praktijk wordt met de condensator:

       

de tijdconstante ingesteld de weerstand ontkoppeld de afstemming ingesteld de kwaliteitsfactor ingesteld
 

26 - Voor het meten van het door een zender opgenomen gelijkstroomvermogen wordt 

        gebruik gemaakt van:

alleen een ampèremeter alleen een voltmeter een ohmmeter een ampèremeter en een voltmeter
 

27 - Als voedingsgelijkrichter kan worden toegepast:

       

A B C D
 

28 - De beste schakeling voor de ingang van een hoogfrequentversterker is:

       

A B C D
 

29 - C2 is vijf maal zo groot als C1.

       

          De schakeling werkt:

als oscillator zowel met een kristal in parallel- als in
serieresonantie
als oscillator met het kristal in parallelresonantie als oscillator met het kristal in serieresonantie niet als oscillator
 

30 - Van een fase-regellus is het met een + aangegeven onderdeel:

        

de spanninggeregelde oscillator

de programmeerbare deler

de fasevergelijker

de referentie-oscillator

 

31 - Een ontvanger is afgestemd op 1 MHz. De middenfrequentie bedraagt 450 kHz.

       

         De ingestelde frequentie van blok X bedraagt:

450 kHz 1000 kHz 1450 kHz 1900 kHz
 

32 - In de mengtrap van een superheterodyne ontvanger wordt het hoogfrequentsignaal:

in frequentie gemoduleerd hoorbaar gemaakt in frequentie getransformeerd gedetecteerd
 

33 - In het blokschema is de functie van de meter het aanwijzen van de:

       

De signaalsterkte De frequentiezwaai De afstemfrequentie Het uitgangsvermogen
 

34 - De filters in de hoogfrequentversterker van een ontvanger dienen om:

motorstoringen te verminderen de oscillatorfrequentie te stabiliseren verafselectiviteit te verbeteren de spiegelfrequentie te versterken
 

35 - Een 144 MHz FM-zender bestaat uit een gemoduleerde oscillator op 9 MHz, gevolgd

       door vermenigvuldigtrappen.

        De frequentiezwaai van het uitgangssignaal is 1600 Hz.


        De frequentiezwaai van het oscillatorsignaal is:

2304 Hz 1600 Hz 177 Hz 100 Hz
 

36 -

 

is het sleutelklikfilter is een scheidingstrap zorgt voor de werkpuntstabilisatie van Q1 is een frequentie-vermenigvuldigings-trap
 

37 - Van twee telegrafiezenders (A1A) zijn hieronder de hoogfrequent uitgangssignalen

        weergegeven.

        

signaal 1 heeft een grotere bandbreedte dan signaal 2 signaal 1 heeft een kleinere bandbreedte dan signaal 2 signaal 1 heeft dezelfde bandbreedte als signaal 2 er kan geen conclusie over het verschil in bandbreedte
worden getrokken
 

38 - Een amateurzender straalt minder harmonischen uit indien:

de eindtrap in klasse A wordt ingesteld in plaats van in klasse C de voedingsspanning van de oscillator beter wordt gestabiliseerd de eindtrap in klasse C wordt ingesteld in plaats van in klasse A een kristaloscillator wordt gebruikt in plaats van een LC-oscillator

39 - Een gevouwen dipool heeft ten opzichte van een open dipool:

kleinere afmetingen een sterker richteffekt een lagere aansluitimpedantie een hogere aansluitimpedantie

40 - De antenne met de "traps" werkt op 7 en 14 MHz als halvegolf dipool.

       

              De "traps" bevatten elk een:

spoel capaciteit seriekring afgestemd op 7 MHz parallelkring afgestemd op 14 MHz
 

41 - De polarisatie van een dipool-antenne wordt bepaald door de:

hoek van de antenne ten opzichte van het aardoppervlak aanpassing van de antenne aan de voedingskabel lengte van de antenne hoogte van de antenne ten opzichte van het aardoppervlak
 

42 - De meest toegepaste coaxiale kabel tussen de zendontvanger en de antenne heeft een

        karakteristieke impedantie van:

50 ohm 100 ohm 300 ohm 600 ohm

43 - Van elke coaxkabel is de karakteristieke impedantie en de elektrische lengte gegeven.

       

         De staandegolfmeter (SGM), welke is gemaakt voor 50Ω, geeft ongeveer aan:

0,7:1 1,0:1 1,4:1 2,0:1
 

44 - Radiogolven waarvan de frequentie hoger is dan de kritische frequentie, worden bij

       verticale opstraling door de ionosfeerlagen:

geabsorbeerd gereflecteerd doorgelaten teruggebogen
 

45 - Een radioverbinding over lange afstand op 145 MHz is mogelijk door:

de afwezigheid van zonnevlekken de ultra-violette zonnestraling temperatuurinversie magnetische stormen
 

46 - Het aan de luidspreker toegevoerde vermogen is 200 mW.

       
        De aanwijzing van de voltmeter is:

2 mV 20 mV 100 mV 1 V
 

47 - Met behulp van een signaalgenerator (G) en een oscilloscoop(O) wordt de

        resonantiefrequentie van een parallelkring bepaald (1-5 MHz).


        De uitgangsimpedantie van de generator is 50 ohm, de ingangsimpedantie van de

        oscilloscoop is 10 Mohm.


        De beste schakeling is:

A B C D
 

48 - De tijdbasis van de oscilloscoop is zo ingesteld, dat 1 schaaldeel overeenkomt met 5

       milliseconde.
       De frequentie van de aangelegde spanning is:

25 Hz 50 Hz 1,6 kHz 40 kHz
 

49 - Een radiozendamateur werkt met CW op 28,01 MHz.

       Zijn buurman luistert op 27 MHz en merkt dat de ontvangst van zwakke signalen

       onderbroken wordt in het seintempo van de amateur.


        De waarschijnlijke oorzaak is:

blokkering van de 27 MHz ontvanger door het 28 MHz
signaal
harmonischen van de amateurzender verkeerd aangepaste ontvangantenne intermodulatie
 

50 - Een aardlekschakelaar beveiligt tegen het optreden van:

een potentiaalverschil tussen de nuldraad van het net en aarde een potentiaalverschil tussen de nuldraad van het net en het chassis een verschil tussen de stroomsterkte in de nuldraad en de fasedraad een hoogfrequentstroom naar het net