Proefexamen C VOORJAAR 2003
|
13 - Gegeven is het frequentiespectrum van een met 1 toon gemoduleerde AM-zender.
De draaggolf wordt voorgesteld door: |
||||
| lijn 1 | lijn 2 | lijn 3 | lijnen 1 en 3 | |
|
14 - Het signaal van een EZB-amateurzender heeft het volgende spectrum:
Het vermogen van de restdraaggolf is 10 milliwatt.
Het vermogen van de zijband is: | |||
| 100 mW | 1 W | 10 W | 100 W |
|
15 - Als de belastingsweerstand van een accu gelijk wordt gekozen aan de inwendige weerstand van die accu, dan zal:
|
|||
| de accu minimaal vermogen leveren aan de belasting | de accu maximaal vermogen leveren aan de belasting | er minimale stroom vloeien in het circuit | er maximale stroom vloeien in het circuit |
|
16 - Een zendereindtrap heeft een rendement van 60%. Bij een voedingspanning van 10 volt bedraagt de door de eindtrap opgenomen stroom 10 ampère. De coaxiale kabel naar de antenne geeft een vermogensverlies van 30%.
Het aan de antenne afgegeven vermogen is: |
||||
| 42 W | 28 W | 18 W | 12 W | |
|
17 - Een ronde koperdraad met een diameter van 1 mm en een lengte van 1 meter wordt gelijkmatig uitgetrokken tot een lengte van 2 meter.
De weerstand van de draad: |
||||
| blijft gelijk | wordt gehalveerd | wordt verdubbeld | wordt verviervoudigd | |
|
18 - De zwevings-oscillator (BFO) van een superheterodyne ontvanger is nodig bij de ontvangst van: |
|||
| televisie (A3F) | AM (A3E) | FM (F3E) | CW (A1A) |
|
19 - Een smoorspoel met een impedantie van 10 0hm heeft een ohmse weerstand van 8 ohm en wordt aangesloten op een sinusvormige wisselspanning van 10 volt.
Het gedissipeerde vermogen is: |
|||
| 12,5 W | 10 W | 8 W | 6 W |
|
20 - In transformatoren worden ijzerkernen toegepast. De ijzeren lamellen die de kern vormen worden onderling geïsoleerd.
Dit isoleren heeft tot doel de: |
|||
| magnetische flux te versterken | kernverliezen te verkleinen | koppeling te versterken | transformatieverhouding te vergroten |
|
21- De stroom I 2 is:
|
||||
| 0.5 A | 1 A | 2 A | 4 A | |
|
22 - Het vermogen dat de transistor dissipeert is ongeveer:
|
|||
| 25 mW | 30 mW | 35 mW | 60 mW |
|
23 - Stelling 1: De anodestroom van een triode radiobuis is afhankelijk van de roosterspanning;
Stelling 2: De anodestroom van een triode radiobuis is afhankelijk van de anodespanning.
Wat is juist: |
||||
| stelling 1 en 2 | alleen stelling 1 | alleen stelling 2 | geen van beide stellingen | |
|
24 - Juist is:
|
||||
| Y = 0 en Z = 0 | Y = 1 en Z = 1 | Y = 1 en Z = 0 | Y = 0 en Z = 1 | |
|
25 - Drie weerstanden worden parallel geschakeld. De waarden zijn: 10, 15, en 30 ohm.
De vervangingsweerstand is: |
||||
| 5 Ω | 7,5 Ω | 18,3 Ω | 55 Ω | |
|
26 - Iemand wil een gloeilamp van 12 V/10 W voeden uit het 230 V net. Er staan twee gelijke transformatoren ter beschikking van elk primair 230 V en secundair 6 V/1 A
Rekening houdend met de fase is de juiste schakeling: |
||||
| primaire wikkelingen in serie en secundaire wikkelingen in serie | primaire wikkelingen in serie en secundaire wikkelingen parallel | primaire wikkelingen parallel en secundaire wikkelingen in serie | primaire wikkelingen parallel en secundaire wikkelingen parallel | |
|
27 - in R3 wordt een vermogen gedissipeerd van 2 watt.
Het vermogen dat in R1 gedissipeerd wordt is: |
||||
| 2W | 4W | 8W | 16W | |
|
28 - Gegeven: R = 600 Ω; C = 5mF; 2 x Pi x F=250
De impedantie van de schakeling is: |
||||
| 600 Ω | 800 Ω | 1000Ω | 1400Ω | |
|
29 - Van een seriekring in resonantie wordt de serieweerstand vergroot van Rs = 10 ohm naar Rs = 20 ohm.
De kwaliteitsfactor Q wordt hierdoor: |
||||
| 2 x kleiner | niet veranderd | 2 x groter | 4 x groter | |
|
30 - Dit is een schema van een:
|
||||
| laagdoorlatend filter | banddoorlatend filter | bandsperrend filter | frequentie-onafhankelijke verzwakker | |
|
31 - In het filter zijn 3 seriekringen in resonantie op de daarbij aangegeven frequenties.
Het filter: |
||||
| laat 2000 Hz en 4000 Hz door | laat 2000 Hz door en spert 4000 Hz | spert 2000 Hz en laat 4000 Hz door | spert 2000 Hz en 4000 Hz | |
|
32 - Op de schakeling wordt een blokvormige spanning U1 aangesloten.
De uitgangsspanning U2 wordt voorgesteld door:
|
||||
| A | B | C | D | |
|
33 - Een amplitudegemoduleerd signaal kan onvervormd worden versterkt door: |
||||
| een frequentievermenigvuldiger | een lineaire versterker | een versterker in klasse C | een niet- lineaire versterker | |
|
34 - Een zender werkt op 145 MHz.
De tweede harmonische hiervan is: |
||||
| 72,5 MHz | 145 MHz | 217,5 MHz | 290 MHz | |
|
35 - Een voordeel van frequentiemodulatie vergeleken met enkelzijbandmodulatie is:
|
||||
| de bandbreedte van de ontvanger kan kleiner zijn | er is ruimte voor meer zenders per 100 kHz spectrum | in de ontvanger kan een productdetector worden toegepast | de eindtrap van de zender kan in klasse C worden ingesteld | |
|
36 - In de schakeling komt +5 volt overeen met logisch 1 en 0 volt met logisch 0.
De juiste waarheidstabel is
|
||||
| A | B | C | D | |
|
37 - De spiegelonderdrukking van een superheterodyne ontvanger wordt verbeterd door: |
||||
| de bandbreedte van de lF-versterker te verkleinen | de selectiviteit van de hf-versterker te vergroten | de selectiviteit van de mf-versterker te vergroten | de stabiliteit van de oscillator te vergroten | |
|
38 - De ingangsspanning Uin is amplitude gemoduleerd.
De uitgangsspanning Uuit is weergegeven door:
|
||||
| A | B | C | D | |
|
39 - Het circuit voor de automatische versterkingsregeling van een EZB-ontvanger heeft bij voorkeur een afvaltijd van ongeveer: |
||||
| 1 microseconde | 1 milliseconde | 1 seconde | 1 minuut | |
|
40 - De eigenschap van een ontvanger om signalen op naastliggende frequenties te onderdrukken heet: |
||||
| stabiliteit | bandbreedte | gevoeligheid | selectiviteit | |
|
41 - In een 2-meter FM-zender wordt doorgaans: |
||||
| Het oscillatorsignaal eerst in frequentie verveelvoudigd tot de zendfrequentie en vervolgens gemoduleerd | het modulatiesignaal verveelvoudigd en aan de eindtrap toegevoerd | het oscillatorsignaal eerst gemoduleerd en vervolgens in frequentie verveelvoudigd | het modulatiesignaal en het oscillatorsignaal beide afzonderlijk verveelvoudigd en dan aan de modulator toegevoerd | |
|
42 - Een enkelzijbandzender werkt met een draaggolfoscillator op 1 MHz. Het zijbandfilter laat uitsluitend signalen in de lage zijband door.
Voor spraaksignalen met frequenties tussen 300 Hz en 3000 Hz zijn de grenzen van de doorlaatband van dit filter: |
||||
| 997 kHz en 1003 kHz | 1000,3 kHz en 1003 kHz | 997,7 kHz en 1003,3 kHz | 997 kHz en 999,7 kHz | |
|
43 - Chirp (Tjoep) kan optreden als: |
||||
| de voedingsspanning van de oscillator onvoldoende stabiel is | de seinsleutel van de zender niet goed is afgesteld | de antenne te licht gekoppeld is met de eindtrap | de seinsleutel te veel varieert | |
|
44 - Het gevolg van het naar beneden buigen van de radialen van een groundplane antenne is: |
||||
| het verhoogt de stralingshoek | het brengt de voetpuntimpedantie dicht bij 50 ohm | het brengt de voetpuntimpedantie dicht bij 300 ohm | dat er geen mantelstromen kunnen lopen | |
|
45 - Een antenne met traps: |
||||
| is een helix-antenne | onderdrukt stoorsignalen | heeft maximale winst in alle richtingen | kan op meer dan één band worden gebruikt | |
|
46 - Van elke coaxkabel is de karakteristieke impedantie en de elektrische lengte gegeven.
De staandegolfmeter (SGM), welke is gemaakt voor 50 ohm, wijst ongeveer aan: |
||||
| 0,7 : 1 | 1,0 : 1 | 1,4 : 1 | 2,0 : 1 | |
|
47 - Een transmissielijn dient om: |
||||
| de antenne-impedantie te verlagen | de antenne-impedantie te verhogen | hoogfrequentenergie over te dragen | de juiste aanpassing tussen de antenne en de transmissielijn te verkrijgen | |
|
48 - Als er rondom een kortegolf-zendantenne een dode zone aanwezig is, dan is de zendfrequentie : |
||||
| lager dan de laagst bruikbare frequentie | lager dan de kritische frequentie | gelijk aan de kritische frequentie | hoger dan de kritische frequentie | |
|
49 - Een wisselstroom met een frequentie van 14 MHz in een draad van een open voedingslijn kan gemeten worden met een: |
||||
| in de draad opgenomen koolweerstand van 1 ohm en hierover een draaispoelmeter | in de draad opgenomen koolweerstand van 1 ohm en hierover een draaispoelmeter in serie met een diode | staandegolfmeter | dipmeter | |
|
50 - Een radiozendamateur plaatst zijn antenne op een dak waarop reeds mobilofoonantennes staan. De mobilofoons werken op 150,5 en 155,5 MHz. Als de amateur op 145,5 MHz zendt, blijkt zo nu en dan zijn signaal op 155,5 MHz hoorbaar te worden.
De waarschijnlijke oorzaak is: |
||||
| intermodulatie | overmodulatie | blokkering | laagfrequentdetectie | |