F-Examen

1. Bij het toepassen van fasemodulatie in een zender voor de overdracht van een telefoniesignaal is de klasse van uitzending:

2. Gedurende een uitzending dient de radiozendamateur zijn roepletters:

3. De totale versterking tussen A en B is:


4. De reactantie van een spoel wordt groter, zowel bij:

5. Afscherming van bedrading en onderdelen die een hoge spanning voeren bevordert:
6. Deze karakteristiek heeft betrekking op een:


7. Een schakeling om mantelstromen tegen te gaan is:


8. In de weerstand R1 wordt 2 watt en in de weerstand R2 wordt 20 watt gedissipeerd.
De transformatoren zijn ideaal.

De stroom I is:


9. Het uitgangsignaal van een hf-telefonie-ontvanger heeft bij ontvangst van een EZB-signaal een signaal/ruisverhouding van 20dB.
Om de uitgangsspanning te verhogen, wordt de versterking van de lf-versterker 6 dB vergroot.

De gemiddelde signaal/ruisverhouding aan de uitgang is nu:

10. R dissipeert 4 watt.

Het gedissipeerd vermogen van de gehele schakeling is:


11. een zendereindtrap, bedoeld voor het versterken van een enkelzijbandsignaal, wordt voor een zo hoog mogelijk rendement ingesteld in:

12. Een 50 MHz zender is door 20 meter coaxiale kabel (demping=20 dB/100 meter) en een balun (demping = 0,4 db) verbonden met een Yagi-antenne (winst = 10,4 dB).
het zendvermogen bedraagt 10 watt.

Het effectief uitgestraald vermogen (erp) is:

13. De verkortingsfactor van gangbare coaxkabel is:
14. Het woord "KWARTS" wordt volgens het voorgeschreven spellingalfabet gespeld als:

15. Een verticale antenne heeft een lengte van 10 meter.
De impedantie van de antenne is ongeveer 36 ohm.

De zendfrequentie is ongeveer:


16. Stelling 1:
De anodestroom van een triode is afhankelijk van de roosterspanning.
Stelling 2:
De anodestroom van een triode is afhankelijk van de anodespanning.

Wat is juist:

17. Een LED (light emitting diode) dient op een spanning van 12 volt te worden aangesloten volgens:


18. De antenne-aanpassingseenheid (ATU) wordt zo afgeregeld dat de in de zender ingebouwde staandegolfmeter (SGM) 1 aanwijst.

Hierdoor:

19. Een zender werkt op 145 MHz.

De eerste harmonische hiervan is:

20. In een EZB-zender wordt de lage zijband opgewekt op een draaggolffrequentie van 1 MHz.
Dit signaal wordt in een mengtrap gemengd met dat van een oscillator op 4 MHz.

aan de uitgang van de mengtrap vinden we onder andere een eenzijbandsignaal op:

21. Bij onderzoek naar aanleiding van een klacht blijkt dat uw amateurzender storing veroorzaakt in een mobilofoonkanaal van de politie.

De minister van Economische Zaken is in dit geval bevoegd:
1. het amateurstation in beslag te nemen en op uw kosten te vernietigen.
2. een geheel of gedeeltelijk zendverbod op te leggen.

Juist is?

22. De steilheid van een buis wordt uitgedrukt in:

23. Om een verbinding via de ruimtegolf optimaal (zo sterk mogelijk signaal, weinig fading) te doen functioneren dient de zendfrequentie:
24. In R3 wordt een vermogen gedissipeerd van 2 watt.
Het vermogen dat in R1 gedissipeerd wordt is:


25. De spanning U over de secundaire van 2 overkritisch gekoppelde kringen, als functie van de frequentie, is gegeven door:


26. Welke van de schakelingen geeft de meest veilige aankoppeling van de antenne aan de eindtrap van de zender:


27. De gelijkspanning tussen rooster en kathode van de triode wordt bepaald door de:

28. De belastingsstroom Ibel varieert van 100 tot 300 mA.
Het maximaal gedissipeerde vermogen door de zenerdiode is:


29. Voor optimale onderdrukking van de draaggolf geldt:


30. Bewering 1:
Een FM-zender wordt gebruikt voor het zenden van een digitaal TV-signaal.
De klasse van uitzending is F1D.
Bewering 2:
een enkelzijbandzender met onderdrukte draaggolf wordt gemoduleerd met een spraaksignaal.
De klasse van uitzending is J3E.
Wat is juist?
31. De waarde van Rx is:


32. Een belasting wordt aangesloten op een sinusvormige wisselspanning.
Het verloop van de stroom i en de spanning u is in de grafiek aangegeven.

De belasting bestaat uit:

33. R18 en R19:


34. Een lokaal station in de AM-omroepband wordt `s-avonds onvervormd ontvangen.
tegelijkertijd wordt op een nabijgelegen frequentie een veraf gelegen station met zo nu en dan ernstig vervormde modulatie ontvangen.

De meest waarschijnlijke oorzaak van deze vervorming is:

35. De zelfinductie van een spoel is hoofdzakelijk afhankelijk van:

36. Een sinusvormige spanning van 100 Veff heeft op t=0 een nuldoorgang van negatief naar positief.

Driekwart periode later is de momentele waarde:

37. De reikwijdte van de grondgolf van een zender is groter naarmate:

38. Een waarde van 200 pF wordt bereikt met:


39. Met behulp van een signaalgenerator (G) en een oscilloscoop (O) wordt de resonantiefrequentie van een parallelkring bepaald (1-5 MHz).
De uitgangsimpedantie van de generator is 50 ohm, de ingangsimpedantie van de oscilloscoop is 10 Mohm.

De beste schakeling is:


40. Het woord "AXIOMA" wordt volgens het voorgeschreven spellingalfabet gespeld als:

41. Een radiozendamateur werkt met CW op 28,01 MHz.
Zijn buurman luistert op 27 MHz en merkt dat de ontvangst van zwakke signalen onderbroken wordt in het seintempo van de amateur.
De waarschijnlijke oorzaak is:
42. De verliesvrije transformator is belast met een weerstand.

De stroom door de weerstand is:


43. De absorptie-frequentiemeter maakt gebruik van het effect dat:

44. een zender neemt een aanzienlijke grotere bandbreedte in beslag dan normaal is voor de gebruikte modulatiemethode (veroorzaakt "splatter").

Dit wordt veroorzaakt door:
45. een amplitudegemoduleerde zender wordt gemoduleerd met twee sinusvormige signalen van 3 en 6 kHz.
Een ontvanger die deze signalen met een AM-detector zonder vervorming kan ontvangen moet een bandbreedte hebben van minimaal:
46. Een enkelzijbandzender werkt met een draaggolfoscillator op 1 MHz.
Het zijbandfilter laat uitsluitend signalen in de lage zijband door.

Voor spraaksignalen met frequenties tussen 300 Hz en 3000 Hz zijn de grenzen van de doorlaatband van dit filter:

47. een in een enkele laag gewikkelde spoel wordt vervangen door een spoel die 10% langer is.
De overige eigenschappen (aantal windingen, diameter, kernmateriaal) blijfen gelijk.

De zelfinductie is nu:
48. Een meetapparaat dat versterkers bevat voor horizontale en verticale afbuiging is een:

49. iemand wil een gloeilamp van 6 V/10 W voeden uit het 230 V net.
Er staan twee gelijke transformatoren ter beschikking van elk primair 115 V en secundair 6 V/1 A.

De juiste schakeling is:


50. Q1, Q2 en Q3 zijn: