F-Examen Nieuwe Stijl

1. Voor de uitgang Q geldt:


2. Van Amsterdam naar Stockholm wordt een radioverbinding op 145 MHz gemaakt.

Dit is mogelijk omdat:

3. Stelling 1:
De anodestroom van een triode is afhankelijk van de roosterspanning.
Stelling 2:
De anodestroom van een triode is afhankelijk van de anodespanning.

Wat is juist:

4. vier goede elektrische isolatoren zijn:
5. Het zendvermogen van een zender wordt verlaagd van 16 Watt naar 4 Watt.
Hierdoor zal de hoogfrequentstroom in de antenne:
6. Van een amplitude gemoduleerde 2-meter zender is de modulatie hoorbaar uit de luidspreker van een TV-ontvanger, zelfs als de volumeregelaar hiervan op minimum is ingesteld.

De juiste conclusie is:

7. Bewering 1:
Een enkelzijbandzender met onderdrukte draaggolf wordt gemoduleerd met een spraaksignaal.
De klasse van uitzending is G3E.
Bewering 2:
een FM-zender wordt gebruikt voor het uitzenden van een analoog TV-signaal.
De klasse van uitzending is F1D.

Wat is juist?

8. De middenfrequentversterker is opgebouwd rond transistor:


9. De resonantiefrequentie van de schakeling wordt beinvloed door de:


10. Voor een telegrafiezender (A1A) geldt:

11. Het aanbrengen van een poederijzerkern in een spoel die op 3,5 MHz wordt toegepast, heeft de volgende invloed:
12. In de "gebruikersbepalingen" is onder meer bepaald dat de radiozendamateur:

13. In de schakeling komt +5 V overeen met logisch 1 en 0 V met logisch 0.

De juiste waarheidstabel is;


14. Dit filter behoort tot een 3,7 MHz zendereindtrap.

Bij een aangesloten belasting van 50Ω is de Z ongeveer:
15. In R1 wordt 36 watt gedissipeerd.

In R2 wordt gedissipeerd:


16. Op de ingang is een pulsvormige spanning aangesloten.
De (onbelaste) uitgangsspanning is:


17. De stroom I is:


18. Twee batterijen met ongelijke klemspanning worden parallel geschakeld.
De klemspanning die nu ontstaat is:
19. een yagi-antenne heeft een voor-achterverhouding van 10 dB.
Aan deze antenne wordt 100 watt toegevoerd.

Het naar achteren uitgestraalde vermogen bedraagt ongeveer:

20. Een frequentieverdrievoudiger met een transistor wordt gestuurd met een frequentie f.

In de collectorstroom zijn de volgende frequenties aanwezig:

21. Een luidspreker met een impedantie van 6 ohm wordt via een aanpassingstransformator aangesloten op een versterker die belast moet worden met 600 ohm.

De wikkelverhouding van de transformator moet zijn:

22. Laagfrequentdetectie wordt veroorzaakt door:

23. De detector bestaat o.a uit:


24. De parallelresonantiefrequentie van deze schakeling wordt bepaald door:


25. Juist is:


26. Tijdens uitzendingen op frequenties, waarop de Amateurdienst met een secundaire status is toegestaan, is de radiozendamateur verplicht:

27. Bij draagbaar gebruik van een Nederlandse amateurzender in een ander CEPT-land moet aan de roepletters een / (breukstreep) worden toegevoegd gevolgd door:

28. Een breedband-antenneversterker is aangesloten tussen een TV-antenne en een TV-ontvanger.
Bij het inschakelen van een hf-amateurzender worden alle TV-kanalen gestoord.

Deze storing is in het algemeen op te heffen door:

29. De polarisatie van een dipool-antenne wordt bepaald door de:

30. Een amperemeter heeft een inwendige weerstand van 20 ohm.
Met een parallelweerstand van 5 ohm is het meetgebied 20 mA.

Het meetgebied van de meter zonder parallelweerstand is:


31. De impedantie Z bedraagt:


32. De polarisatierichting van een radiogolf:

33. Fading of sluiering van radiogolven beneden 30 MHz ontstaat doordat:
34. Het gebruikelijke vervangingsschema voor een kwartskristal is:

35. Een (ideale) parallelkring is in resonantie.
De weerstand R van 10 kilo-Ohm wordt vervangen door een weerstand van 20 kilo-Ohm.

De kwaliteitsfactor Q van de schakeling wordt hierdoor:
36. Deze vermogensversterker is geschikt voor:


37. Een sinusvormige spanning van 100 Veff heeft op t=0 een nuldoorgang van negatief naar positief.

Driekwart periode later is de momentele waarde:

38. De ITU radio regio II omvat het volgende gebied:

39. Bewering 1:
Een FM-zender wordt gemoduleerd met een spraaksignaal.
De klasse van uitzending is F2A.
Bewering 2:
Een enkelzijbandzender met onderdrukte draaggolf wordt gemoduleerd met een spraaksignaal.
De klasse van uitzending is J2B.

Wat is juist?

40. Het oversturen van de eindtrap van een EZB-zender heeft tot gevolg dat de signalen:
41. Een accu heeft een inwendige weerstand van 1 ohm en een bronspanning (EMK) van 6 volt.
Op de klemmen van de accu sluiten we een weerstand aan van 3 ohm.

De stroom door de weerstand is:

42. De modulatievorm welke de minste storing door laagfrequentdetectie veroorzaakt is:
43. De elektrische component in elektromagnetische golven:

44. Stelling 1:
De drainstroom van een FET is afhankelijk van de gatespanning.
Stelling 2:
de drainstroom van een FET is praktisch onafhankelijk van de drainspanning.

Wat is juist:

45. Met de schakeling worden achtereenvolgens vier signalen met gelijke amplitude gemeten.

De grootste uitslag treedt op bij
46. Een enkelzijbandzender werkt met een draaggolfoscillator op 1 MHz.
Het zijbandfilter laat uitsluitend signalen in de lage zijband door.

Voor spraaksignalen met frequenties tussen 300 Hz en 3000 Hz zijn de grenzen van de doorlaatband van dit filter:

47. Voor een constante uitgangsspanning dient de ingangsspanning:


48. Een amateurzender werkend in de 21 MHz band veroorzaakt storing in de frequentieband 61-68 MHz.
De storing kan worden verminderd door:
49. Een aardlekschakelaar beveiligt tegen het optreden van:
50. Een belasting wordt aangesloten op een sinusvormige wisselspanning.
Het verloop van de stroom i en de spanning u is in de grafiek aangegeven.

De belasting bestaat uit: