F-Examen Nieuwe Stijl

1. Een lokaal station in de AM-omroepband wordt `s-avonds onvervormd ontvangen.
tegelijkertijd wordt op een nabijgelegen frequentie een veraf gelegen station met zo nu en dan ernstig vervormde modulatie ontvangen.

De meest waarschijnlijke oorzaak van deze vervorming is:
A. selectieve fading B. overbelasting van de ingangstrap van de ontvanger C. een plotselinge troposferische verstoring D. een fout in de zender


2. Het woord "YOGHURT" wordt volgens het voorgeschreven spellingalfabet gespeld als:
A. Yankee Oscar Golf Hotel Uniform Romeo Tango B. Yuliett Ontario Golf Hotel Uniform Romeo Tango C. Yankee Oscar Ghana Hotel Utrecht Romeo Tango D. Yuliett Ontario Golf Hotel Uniform Romeo Tango


3. Een EZB-zender is belast met een kunstantenne (dummy load) en wordt met spraak gemoduleerd.
De ingang van een oscilloscoop is aangesloten op deze dummy load.
De ingangsgevoeligheid van de oscilloscoop bedraagt 20 Volt/schaaldeel.

De Peak Envelop Power (PEP) bedraagt:
A. 100 W B. 200 W C. 50 W D. 400 W


4. een luchtcondensator bestaat uit 2 koperplaten.
de oppervlakte van deze platen wordt 2 X zo groot gemaakt.

De capaciteit zal:
A. 4 X zo groot worden B. gelijk blijven C. halveren D. verdubbelen


5. Welke afkorting wijst op fasemodulatie door een digitaal signaal?
A. CW B. FM C. 2-PSK D. EZB


6. De lengte van een halvegolf dipool voor de 7 MHz band is ongeveer:
A. 20,4 m B. 7,0 m C. 10,2 m D. 40,8 m


7. De PLL wekt een in stappen van 12,5 kHz instelbare gemiddelde frequentie op.,br> Het uitgangssignaal Uuit wordt in frequentie gemoduleerd door een audiosignaal.

Het juiste aansluitpunt voor het audiosignaal is:
A. punt 4 B. punt 2 C. punt 3 D. punt 1


8. De dode zone is het gebied rondom een kortegolf zender, waarin:
A. noch de ruimtegolf, noch de grondgolf van de zender wordt ontvangen B. de zender alleen kan worden ontvangen als er Aurora reflecties optreden C. geen ontvangst mogelijk is omdat de zendfrequentie laag is D. door afscherming geen zichtverbinding met de zender mogelijk is


9. Om te bereiken dat de staandegolfverhouding op de voedingslijn van de zendantenne zo laag mogelijk is, dient:
A. als voedingslijn een coaxiale kabel te worden toegepast B. een juiste aanpassing tussen de zender en de voedingslijn te worden gemaakt C. een juiste aanpassing tussen antenne en de voedingslijn te worden gemaakt D. de lengte van de voedingslijn zo kort mogelijk te zijn


10. Welke LED licht duidelijk op?

A. LED 4 B. LED 2 C. LED 3 D. LED 1


11. Een draaggolf is 100% in amplitude gemoduleerd met 1 laagfrequent sinusvormig signaal.


De in het uitgezonden signaal aanwezige hoogfrequent componenten zijn aangegeven in:
A. figuur 4 B. figuur 1 C. figuur 3 D. figuur 2


12. Bij welke schakeling is het spanningsverschil tussen X en Y nul?


A. alleen in schakeling 2 B. alleen in schakeling 1 C. in beide schakelingen D. bij geen van beide schakelingen


13. het getekende filter is een:

A. reconstructiefilter B. anti-aliasfilter C. IIR-filter D. FIR-filter


14. Het aanbrengen van een poederijzerkern in een spoel die op 3,5 MHz wordt toegepast, heeft de volgende invloed:
A. zelfinductie neemt af en Q-factor blijft gelijk B. zelfinductie blijft gelijk en Q-factor neemt af C. zelfinductie neemt af en Q-factor neemt toe D. zelfinductie neemt toe en Q-factor neemt toe


15. Als gevolg van niet-lineariteit in een zendereindtrap ontstaat:
A. frequentie-instabiliteit B. extra warmteontwikkeling C. intermodulatie D. frequentiemodulatie


16. een zendereindtrap, bedoeld voor het versterken van een enkelzijbandsignaal, wordt voor een zo hoog mogelijk rendement ingesteld in:
A. de klasse heeft geen invloed op het rendement B. klasse B C. klasse A D. klasse C


17. Een bitstroom wordt in 16-QAM gemoduleerd.

Als de bitsnelheid 9600 bits/s is, is de symboolsnelheid:
A. 38400 baud B. 600 baud C. 2400 baud D. 9600 baud


18. De absorptie-frequentiemeter maakt gebruik van het effect dat:
A. er verstemming optreedt van de frequentiemeter B. een stralende bron hf energie afgeeft C. er verstemming optreedt van de stralende bron D. een stralende bron hf energie absorbeert


19. Dit is het blokschema van een FM-zender.

Het blokje met X stelt voor:

A. de modulator B. de vermenigvuldigtrap C. de stuurtrap D. de oscillator


20. Een overtone kristaloscillator oscilleert op:
A. de grondfrequentie B. een oneven harmonische frequentie C. zowel oneven als even harmonischen frequenties D. een even harmonische frequentie


21. In een circuit loopt een wisselstroom bestaande uit een grondgolf en zijn derde harmonische.

Welke grafische voorstelling van de totale stroom past hierbij?.

A. tekening 2 B. tekening 1 C. tekening 3 D. tekening 4


22. Een 50 ohm coaxiale kabel wil men aanpassen op een antenne met een impedantie van 72 ohm.
Men gebruikt hiervoor een kwartgolf impedantietransformator.
De transformator wordt gemaakt met coaxiale kabel met een karakteristieke impedantie van:
A. 50 Ω B. 100 Ω C. 72 Ω D. 60 Ω


23. Lange afstand communicatie op hf-banden wordt mogelijk gemaakt door het afbuigen van radiogolven in de:
A. stratosfeer B. ionosfeer C. troposfeer D. magnetosfeer


24. Een versterker heeft de gegeven amplitude/frequentiekarakteristiek.

De versterker is ontworpen als:
A. VHF-versterker op 100 MHz. B. lf-versterker C. versterker voor alle frequenties tot 100 MHz D. hf-versterker op 10 MHz


25. De dioden hebben gelijke doorlaatkarakteristieken maar de belastbaarheid is verschillend.

Kies uit de alternatieven de combinatie van hoogste Uuit en grootste Iuit die de schakeling kan leveren:

A. Uuit = 20 V en Iuit = 2 A B. Uuit = 20 V en Iuit = 3 A C. Uuit = 10 V en Iuit = 3 A D. Uuit = 10 V en Iuit = 2 A


26. Als schakelaar S1 gesloten wordt zal de lamp:

A. blijven branden B. gaan branden C. gaan knipperen D. uitgaan


27. De ingangsimpedantie bij 1 kHz wordt hoofdzakelijk bepaald door de:

A. externe drain-weerstand B. instelling van de FET C. externe source-weerstand D. externe weerstand tussen gate en aarde


28. Op grote afstand van een 21 MHz zender worden rasterstoringen ondervonden in de televisie-ontvangst op kanaal 4 (63 MHz).

De storingen kunnen worden opgeheven door:
A. bij de televisie-ontvanger afgestemde antenneversterkers toe te passen B. frequentiemodulatie in de zender toe te passen C. de harmonischen-uitstraling van de zender te verminderen D. de afscherming van de antennekabel van de televisie-ontvanger te verbeteren


29. In de weerstand wordt een vermogen van 1 watt gedissipeerd.

I1 is dan:

A. 100 mA B. 50 mA C. 200 mA D. 25 mA


30. Een zendereindtrap is afgesloten met een belastingsweerstand.

Het afgegeven hoogfrequentvermogen wordt bepaald door vermenigvuldigen van de waarden aangewezen door de meters:

A. 1 en 4 B. 2 en 3 C. 3 en 4 D. 1 en 2


31. Een amateurstation zendt in spraak in de klasse van uitzending F3E. Voor de voorgeschreven indentificatie geldt dat het amateurstation mag uitzenden in:
A. alleen F3E B. elke klasse van uitzending C. onder andere F3E, G3E en R3E D. alleen F2A


32. In het UHF-gebied kunnen soms grote afstanden overbrugd worden ten gevolge van:
A. temperatuurinversie B. grote zonnenvlekken-activiteit C. reflecties tegen de geļoniseerde D-laag D. reflecties tegen geļoniseerde F-lagen


33. Een transceiver wordt met een 3-aderig netsnoer aangesloten op een stopcontact met randaarde.

Dit wordt gedaan om te bereiken dat:
A. de aardlekschakelaar juist kan functioneren B. de zekeringen in de transceiver correct kunnen functioneren C. een goede hf-aarde voor de antenne wordt verkregen D. op de metalen kast van de transceiver geen spanning kan staan


34. Door het toevoegen van een hf-trap voor de mengtrap van een superheterodyne ontvanger:
A. kan de ontvanger over een groter bereik worden afgestemd B. wordt de BFO overbodig C. wordt de gevoeligheid van de ontvanger verhoogd D. kunnen EZB-signalen worden ontvangen


35. Detectie van het laagfrequentsignaal gebeurt door:


A. D1 en D2 B. Q4 C. alleen D1 D. alleen D2


36. Een voedingslijn met een elektrische lengte van 1/4 golflengte is aan het einde kortgesloten.

De ingangsimpedantie Zi is:

A. zeer hoog B. 50 Ω C. 12,5 Ω D. zeer laag


37. Bewering 1:
Een FM-zender wordt gemoduleerd met een spraaksignaal.
De klasse van uitzending is F3E.
Bewering 2:
Via een enkelzijbandzender met onderdrukte draaggolf worden met behulp van een hulpdraaggolf met de hand geseinde morsetekens verzonden.
De klasse van uitzending is J2A.

Wat is juist?
A. alleen bewering 2 B. geen van beide beweringen C. bewering 1 en bewering 2 D. alleen bewering 1


38. De waarde van u1 en u2 is:

A. u1 = 24V en u2 = 6V B. u1 = 20V en u2 = 10V C. u1 = 15V en u2 = 15V D. u1 = 10V en u2 = 20V


39. De PLL wekt een frequentie op tussen 144 en 146 MHz.
Het uitgangssignaal Uuit wordt gemoduleerd door het microfoonsignaal.

De meest geschikte kantelfrequentie van het filter in de regellus is:

A. 3000 Hz B. 146 MHz C. 30 Hz D. 12,5 kHz


40. Een hf-oscillator moet elektrisch en mechanisch stabiel zijn om te bereiken dat de oscillator geen:
A. sleutelklikken genereert B. frequentieverloop vertoont C. vervorming veroorzaakt D. overmodulatie veroorzaakt


41. Het meest geschikt als frequentievermenigvuldigtrap is een:
A. lineaire versterker B. mengtrap C. oscillator D. versterker in klasse C


42. Deze schakeling functioneert als een:

A. exclusieve OF-poort (EXOR) B. opteller (full adder) C. D-flipflop D. tweedeler


43. De schakeling stelt voor een:
A. spanningvolger B. somversterker C. detector D. verschilversterker


44. De "skip distance" is alleen aanwezig wanneer de zendfrequentie:
A. zo laag is dat geen ruimtegolf ontstaat B. zo hoog is dat geen ruimtegolf ontstaat C. lager is dan de kritische frequentie D. hoger is dan de kritische frequentie


45. Van een fase-regellus is het met een + aangegeven onderdeel:

A. de programmeerbare deler B. de fase-vergelijker C. de referentie oscillator D. de spanninggeregelde oscillator


46. Een voor gelijkspanning geijkte draaispoelmeter wordt via een diodebrug aangesloten op een sinusvormige wisselspanning van 1 kHz.

De meter wijst de spanning tussen A en B aan:

A. de effectieve waarde B. de maximale waarde C. de momentele waarde D. de gemiddelde waarde


47. De antenne-aanpassingseenheid (ATU) wordt zo afgeregeld dat de in de zender ingebouwde staandegolfmeter (SGM) 1 aanwijst.

Hierdoor:
A. is de lengte van de antennekabel niet meer van belang B. is de combinatie van ATU, kabel en antenne aangepast aan de zender C. is de kans op burenstoring verminderd D. straalt de antennekabel niet meer


48. Laagfrequentdetectie wordt veroorzaakt door:
A. onvoldoende harmonischen onderdrukking van de zender B. niet lineaire zendereindtrappen C. onvoldoende frequentiestabiliteit D. niet-lineaire effecten van halfgeleiders


49. Het primaire doel van de hf-versterker in een ontvanger is om:
A. automatische versterkingsregeling te kunnen toepassen B. de gevoeligheid van de ontvanger te verhogen C. de antenne aan te passen D. voldoende nabij-selectiviteit te bereiken


50. Soms blijkt dat er op de 27 MHz band (11 meter) betere verbindingen mogelijk zijn dan op de 28 MHz band (10 meter)

Dat komt omdat:
A. er op 10 meter minder met een vaste kanaalindeling gewerkt wordt B. de MUF net niet hoog genoeg is voor de 10 meter band C. er op 10 meter vaak met CW gewerkt wordt D. er op 10 meter meer zonnevlekken zijn