F-Examen Nieuwe Stijl

1. De voortplantingssnelheid voor radiogolven in een bepaald materiaal is 250.000 km.s.
In dit materiaal is de golflengte van het signaal 2 meter.

De frequentie is dan:

2. Als het stralende deel van een antenne langer wordt gemaakt dan zal zijn resonantiefrequentie:

3. Om een verbinding via de ruimtegolf optimaal (zo sterk mogelijk signaal, weinig fading) te doen functioneren dient de zendfrequentie:
4. Welke verbinding tussen twee vaste stations komt tot stand via de ionosfeer?

5. De transistor staat geschakeld in:


6. de radiozendamateur moet:

7. het getekende filter is een:


8. Voor het meten van het door een zender opgenomen gelijkstroomvermogen wordt gebruik gemaakt van:

9. Voor het versterken met zo hoog mogelijk rendement van een morsetelegrafiesignaal moet de zendereindtrap worden ingesteld in:

10. De stroom I door de weerstand R is:


11. De logische 1 = +5V en de logische 0 + 0V.

Dit is een:


12. Een radiozendamateur werkt op een amateurfrequentie waarop de Amateurdienst met een secundaire status is toegelaten.

De radiozendamateur is verplicht om gedurende de uitzendingen:

13. In een enkelzijbandzender kiest men bij voorkeur voor een balansmodulator omdat hiermee:

14. De frequentiezwaai van een fasegemoduleerd (PM) signaal wordt bepaald door:

15. Het volgende middenfrequent-signaal wordt toegevoerd aan een FM-detectorschakeling.

Welk uitgangssignaal geeft de detectorschakeling af?


16. Om een hf-radioverbinding over een zo groot mogelijke afstand te maken moet de opstralingshoek van de antenne:

17. In welk figuur is de aanpassing bij de halvegolf antenne juist?


18. Een specifieke modulatievorm voor digitale signalen is:

19. De juiste impedantie-aanpassing van een antennesysteem wordt gecontroleerd met een:

20. In het UHF-gebied kunnen soms grote afstanden overbrugd worden ten gevolge van:

21. Tussen twee versterkertrappen is een passief filter geschakeld.

De totale versterking tussen A en B is:


22. De "skip distance" is de afstand vanaf de zender:
23. In een enkelzijbandzender wordt het signaal opgewekt als lage zijband.
De draaggolfoscillator werkt op 455 kHz.
Alleen laagfrequente signalen tussen 300 en 3000 Hz mogen worden overgebracht.

De doorlaatband van het zijbandfilter moet liggen tussen de frequenties:

24. De reikwijdte van een UHF-zender wordt het meest vergroot door:

25. In een elektronisch orgel treedt laagfrequentdetectie op.

Deze is het duidelijkst waarneembaar bij:

26. De PLL wekt een frequentie op tussen 144 en 146 MHz.
Het uitgangssignaal Uuit wordt gemoduleerd door het microfoonsignaal.

De meest geschikte kantelfrequentie van het filter in de regellus is:


27. Van een amplitude gemoduleerde 2-meter zender is de modulatie hoorbaar uit de luidspreker van een TV-ontvanger, zelfs als de volumeregelaar hiervan op minimum is ingesteld.

De juiste conclusie is:

28. Transformator T2 dient voor het:

29. De regellus is in stabiele toestand (gelocked).

Welke bewering is juist?


30. De frequentiezwaai van een FM-zender wordt vergroot van 2 kHz naar 3 kHz.

Het zendvermogen van de zender:

31. Een dipoolantenne met een impedantie van 300Ω wordt met behulp van een transformator aangepast aan een coaxkabel van 75Ω.
De wikkelverhouding van de transformator is:
32. In de weerstand R wordt een vermogen gedissipeerd van:


33. Stelling 1:
De drainstroom van een FET is afhankelijk van de gatespanning.
Stelling 2:
de drainstroom van een FET is praktisch onafhankelijk van de drainspanning.

Wat is juist:

34. De transformator is verliesvrij.
Als de schakelaar in stand 1 staat, is de stroom door de ampèremeter 9 ampère.

Zetten we de schakelaar in stand 2, dan is de stroom door de ampèremeter:
35. Dit filter behoort tot een 3,7 MHz zendereindtrap.

Bij een aangesloten belasting van 50Ω is de Z ongeveer:
36. Het spanningsverschil tussen P en Q is:


37. Transistor Q2:


38. De meest geschikte bandbreedte voor een hf-amateur-ontvanger, die gebruikt wordt voor EZB-telefonie ontvangst, bedraagt:

39. De gemiddelde waarde van de stroom is:


40. Om een gestabiliseerde spanning op punt P te verkrijgen moet punt 1 worden doorverbonden met:


41. De automatische versterkersregeling van een ontvanger regelt de:
42. R18 en R19:


43. Het meest geschikt als frequentievermenigvuldigtrap is een:

44. Het woord "KWARTS" wordt volgens het voorgeschreven spellingalfabet gespeld als:

45. Een varicapdiode wordt meestal gebruikt voor:

46. een antenne straalt in het horizontale vlak gelijkmatig in alle richtingen.

Deze antenne kan zijn een:

47. Indien van een seriekring de zelfinductie wordt verdubbeld zal de resonantiefrequentie:

48. Ingang P kan zowel logisch 0 als logisch 1 zijn.

Juist is:


49. Een ontvanger voor 145,500 MHz heeft een middenfrequentie van 10,700 MHz.

De spiegelfrequentie is:
50. De gemiddelde waarde van de stroom is: