F-Examen Nieuwe Stijl

1. Bij onderzoek naar aanleiding van een klacht blijkt dat uw amateurzender storing veroorzaakt in een mobilofoonkanaal van de politie.

De minister van Economische Zaken is in dit geval bevoegd:
1. het amateurstation in beslag te nemen en op uw kosten te vernietigen.
2. een geheel of gedeeltelijk zendverbod op te leggen.

Juist is?

2. De condensator van 1 μF wordt vervangen door een condensator van 2 μF.
De stroom die de meter dan uiteindelijk aanwijst is:


3. Bij een Id = 4 mA en een Ugs = - 3 V behoort een source-weerstand Rs :

4. een in een enkele laag gewikkelde spoel wordt vervangen door een spoel die 10% langer is.
De overige eigenschappen (aantal windingen, diameter, kernmateriaal) blijfen gelijk.

De zelfinductie is nu:
5. het uitgezonden signaal van een morsetelegrafiezender wordt op een oscilloscoop zichtbaar gemaakt.

het signaal met de minste sleutelklik is weergegeven door:


6. Een laagfrequent-oscilloscoop heeft een ingangsimpedantie van 1 MΩ parallel met 20 pF.
Men meet met een afgeschermde kabel van 100 pF per meter met een lengte van 80 cm.

Het meetpunt wordt nu belast met:

7. Een lokaal station in de AM-omroepband wordt `s-avonds onvervormd ontvangen.
tegelijkertijd wordt op een nabijgelegen frequentie een veraf gelegen station met zo nu en dan ernstig vervormde modulatie ontvangen.

De meest waarschijnlijke oorzaak van deze vervorming is:

8. In een EZB-zender wordt de lage zijband opgewekt op een draaggolffrequentie van 1 MHz.
Dit signaal wordt in een mengtrap gemengd met dat van een oscillator op 4 MHz.

aan de uitgang van de mengtrap vinden we onder andere een eenzijbandsignaal op:

9. Sleutelklikken kunnen worden verminderd door tussen de seinsleutel en de zender op te nemen:


10. De uitgangsspanning Uuit is ongeveer:


11. De kring L1-C1 staat afgestemd op de:

12. Als de detectieschakeling met BFO wordt meegeteld dan heeft een enkelvoudige superheterodyne-ontvanger:

13. In de weerstand wordt een vermogen van 1 watt gedissipeerd.

I1 is dan:


14. Voor optimale onderdrukking van de draaggolf geldt:


15. In een EZB-amateurzender wordt de modulatie verkregen door middel van een balansmodulator.
Daarachter is een zijbanddoorlaatfilter gechakeld.

De gangbare bandbreedte van dit filter voor goed verstaanbare spraak bedraagt:

16. Een staandegolfmeter, opgenomen in de antennekabel van een zender, geeft een indicatie van de:
17. Bij welke waarde van R levert de spanningsbron de maximale stroom?


18. Een halvegolf antenne wordt in het midden gevoed.

Dit is het punt van maximale:

19. De 40-meter amateurband grenst aan een omroepband.

Als `s-avonds een aantal omroepzenders door elkaar hoorbaar wordt op een in de amateurband afgestemde ontvanger is dit waarschijnlijk te wijten aan:

20. Een ontvanger voor 145,500 MHz heeft een middenfrequentie van 10,700 MHz.

De spiegelfrequentie is:
21. De uitgangsspanning van een belaste enkelzijdige gelijkrichter met kleine afvlakcondensator verloopt als aangegeven in:


22. De vervangingswaarde is:


23. De frequentie van een wisselspanning bedraagt 100 Hz.

Het aantal perioden dat in 5 minuten verloopt is:

24. IARU bandplannen zijn:
25. 1 van de voordelen van een FM-zender is:

26. Een radiozendamateur zendt een signaal uit met een bandbreedte van 2200 kHz.

Dit is:

27. Voor een constante uitgangsspanning dient de ingangsspanning:


28. Een voedingslijn met een elektrische lengte van 1/4 golflengte is aan het einde kortgesloten.

De ingangsimpedantie Zi is:


29. een zendereindtrap heeft een rendement van 60%.
Bij een voedingsspanning van 10 volt bedraagt de door de eindtrap opgenomen stroom 10 ampere.
De coaxiale kabel naar de antenne geeft een vermogensverlies van 30%.

Het aan de antenne afgegeven vermogen is:

30. De dioden hebben gelijke doorlaatkarakteristieken maar de belastbaarheid is verschillend.

Kies uit de alternatieven de combinatie van hoogste Uuit en grootste Iuit die de schakeling kan leveren:


31. In deze zender zijn R9 en R10 aanwezig om de basis van Q3:


32. Een seriekring heeft een resonantiefrequentie van 100 MHz.

Voor een signaal van 90 MHz gedraagt deze kring zich als een:

33. De transistor staat in:


34. Deze karakteristiek heeft betrekking op een:


35. In een 2-meter zender wordt het signaal van een 12 MHz oscillator vermenigvuldigd naar een zendfrequentie van 144 MHz.
De oscillator heeft een frequentieverloop van 12 Hz per minuut.

De zendfrequentie verloopt in 10 minuten:

36. Een maatregel om het optreden van chirp te voorkomen is:

37. De nauwkeurigheid van een frequentieteller wordt bepaald door de:

38. De juiste volgorde van toenemende bandbreedte is:

39. Bij welke schakeling staat de wijzer van de meter precies op het einde van de schaal? De meters mogen als ideaal worden verondersteld.

40. De zenerdiode in de schakeling heeft de onderstaande karakteristiek.
De spanning U over de zenerdiode is weergegeven in:


41. Dit is het blokschema van een zender

Het blokje gemerkt met X stelt voor:

42. Onder de MUF (Maximum Usable Frequency) voor een bepaalde verbinding wordt verstaan:
43. De Q-factor van een spoel in een resonantiekring heeft vooral invloed op de:
44. De spanning over de spoel is:


45. De demping tussen twee verticale halvegolfdipolen wordt gemeten op een bepaalde frequentie.
De antennes zijn opgesteld in de vrije ruimte.

Als de frequentie wordt verdubbeld en de afmetingen van de halvegolfdipolen hierop worden aangepast, dan zal de demping:
46. De reflectie van electromagnetische golven door de ionosfeer is het minst afhankelijk van:
47. De primaire stroom I is:


48. Twee batterijen met ongelijke klemspanning worden parallel geschakeld.
De klemspanning die nu ontstaat is:
49. De reikwijdte van een UHF-zender wordt het meest vergroot door:

50. Als er rondom een kortegolf-zendantenne een dode zone aanwezig is, dan is de zendfrequentie: