inleiding examens

Proefexamen F Najaar 2006


1- Tijdens een morse-verbinding wilt u aan het tegenstation kenbaar maken dat u gestoord wordt door andere stations.


     U gebruikt dan de Q-code:

QRM QRX QRZ QSB
 
2 - De volgende gebieden bevinden zich in ITU regio III:
Europa en Afrika Australië en China Afrika en Australië Noord- en Zuid-Amerika
 

3 - Bij overtreding van de "Voorschriften en beperkingen" is de Minister van Economische Zaken bevoegd:

     
     1. u een geheel of gedeeltelijk zendverbod op te leggen;
     2. uw zendinstallatie te vernietigen.

    
     Juist is:

zowel 1 als 2 alleen 1 alleen 2 geen van beide
 

4 - Een amateurzender met de klasse van uitzending F3E en een bandbreedte van 16 kHz mag op de volgende frequentie

      NIET zenden:

144,016 MHz 145,995 MHz 145,160 MHz 145,500 MHz
 

5 - Een radiozendamateur maakt vanuit de auto een verbinding op 2 meter.

     Tot z'n schrik merkt hij dat hij een zakelijke afspraak niet kan nakomen.

     Hij vraagt aan de radiozendamateur met wie hij verbinding heeft dit telefonisch door te geven.

     
      Dit is:

toegestaan niet toegestaan

toegestaan als het bericht maar zeer kort is en er in de directe omgeving geen telefoon aanwezig is

toegestaan als de zakelijke relatie ook radiozendamateur is
 
6 - Tijdens een uitzending moeten de roepletters uitgezonden worden ten minste éénmaal per:
3 minuten 5 minuten 10 minuten 15 minuten
 
7 - Een dipool-antenne is door een open voedingslijn (kippenladder) met een ontvanger verbonden.
      De beste wijze om schade ten gevolge van een nabije bliksemontlading te voorkomen is:
voedingslijn aarden ontvanger uitschakelen voedingslijn kortsluiten voedingslijn losnemen en netsteker uittrekken
 
8 - Door een weerstand loopt een stroom van I ampère.
     De spanning over deze weerstand is evenredig met:
 

9 - De gemiddelde waarde van de stroom I bedraagt:

    

0,5 A 0,707 A 1 A 1,5 A
 
10 - Een goede geleider voor magnetische velden is:
aluminium weekijzer koolstof glas
 
11 - De polarisatierichting van een radiogolf:
is afhankelijk van de antenneversterking is afhankelijk van de hoogte van de zendantenne is in eerste instantie evenwijdig aan het stralende element van de zendantenne staat in eerste instantie loodrecht op het stralende
element van de zendantenne
 
12 - De effectieve waarde van deze wisselspanning is ongeveer:

25 V 35,5 V 50 V 71 V
13 - Bij een 100% met één toon gemoduleerd AM - zendsignaal heeft iedere zijband een amplitude gelijk aan:
12,5% van de draaggolf 25% van de draaggolf 50% van de draaggolf 78% van de draaggolf
 

14 - Een signaalsterkte wordt gerapporteerd als "S9 plus 20 dB".
        Indien van de beluisterde zender het vermogen wordt gereduceerd van 150 W naar 15 W, dan behoort het

       signaalsterkte rapport te zijn:

S9 S9 plus 10 dB S9 plus 20 dB S9 plus 30 dB
 

15 - De grafische voorstelling van een sinusvormige wisselspanning die in tegenfase is met de elektrische stroom, is:

       

A B C D
 

16 - Een EZB-zender wordt gestuurd met een dubbeltoon (1100 Hz en 1900 Hz van gelijke amplitude).

       De meter wijst 71 volt aan.
       De PEP bedraagt:

      

50 W 71 W 100 W 150 W

17 - De karakteristiek behoort bij een:

       

transistor (NPN) weerstand met positieve
temperatuurscoëfficiënt (PTC)
zenerdiode weerstand met negatieve
temperatuurscoëfficiënt (NTC)
 

18 - Een condensator wordt aangesloten op een sinusvormige wisselspanning van 15 volt.

        Bij een frequentie van 100 Hz is de stroom door de condensator 50 mA.


        Indien de frequentie 2000 Hz bedraagt is de stroom:

20 maal zo klein even groot 20 maal zo groot
 
19 - Bij een spoel neemt de verliesweerstand door het huid-effect (skin-effect) toe bij gebruik:
van draad met een lagere soortelijke weerstand van draad met een dunnere isolatielaag van spatie tussen de windingen bij hogere frequenties
 

20 - Een ideale transformator heeft primair 500 windingen en secundair 100 windingen.
       De primaire stroom is ongeveer:

      

5 A 1 A 0,2 A 0,04 A
 

21- Voor een bruikbare modulatie zal de waarde van R1 liggen in de ordegrootte van:

      

1 W 10 W 600 W 100 kW
 

22 - In de schakeling met een siliciumtransistor zal de meter de volgende gelijkspanning aangeven:

       

2,0 V 2,7 V 3,4 V 5,3 V
 

23 - De zenerdiode in de schakeling heeft de volgende karakteristiek:

       

De spanning U over de zenerdiode is:

A B C D
 
24 - Wanneer van een triode de roosterspanning meer negatief wordt gemaakt ten opzichte van de kathode, zal de:
anodestroom toenemen roosterstroom toenemen anodestroom afnemen anodespanning afnemen
 

25 - Juist is:

       

X = 0 en Y = 0 X = 0 en Y = 1 X = 1 en Y = 1 X = 1 en Y = 0
 

26 - De dioden zijn gelijk.

       

A B C D
 

27 - De spanning over R2 is:

       

40 V 60 V 80 V 100 V

28 - De spanning over de spoel is:

       

100 V 200 V 300 V 400 V
 
29 - Een seriekring heeft een resonantiefrequentie van 100 MHz.
       Voor een signaal van 90 MHz gedraagt deze kring zich als een:
condensator doorverbinding weerstand spoel
 
30 - Indien van een parallelkring de capaciteit 4 maal zo groot wordt zal de resonantiefrequentie:
4x zo hoog worden 4x zo laag worden 2x zo hoog worden 2x zo laag worden
 

31 - Het gebruikelijke vervangingsschema voor een kwartskristal is:

       

A B C D
 

32 - Dit is het schema van een:

       

lf-eindversterker zendereindtrap gestabiliseerde voeding balans modulator
 

33 - In een versterker wordt de 80 meter amateurband (3,5 – 3,8 MHz) in zijn geheel versterkt.

       De bandbreedte van deze versterker moet minimaal zijn:

300 kHz 600 kHz 3,5 MHz 3,8 MHz
 
34 - Aan de uitgang van een lf-versterker kunnen harmonischen van het ingangssignaal verschijnen wanneer:
de bandbreedte beperkt is er parasitaire capaciteiten aanwezig zijn de versterking bij alle frequenties niet even groot is de versterker niet-lineair is
 
35 - Om EZB-signalen te detecteren maakt men bij voorkeur gebruik van een:
diodedetector Foster Seeley detector productdetector flankdetector
 
36 - Om een goede frequentiestabiliteit van een 2-meter zender te krijgen wordt bij voorkeur gebruik gemaakt van een
        oscillatorschakeling met:
een LC-seriekring een kristal een LC-parallelkring een laagdoorlaatfilter in de uitgangsleiding
 
37 - De spiegelonderdrukking van een superheterodyne ontvanger wordt verbeterd door:
de bandbreedte van de lf-versterker te verkleinen de selectiviteit van de hf-versterker te vergroten de selectiviteit van de mf-versterker te vergroten de stabiliteit van de oscillator te vergroten
 
38 - De gevoeligheid van een ontvanger wordt in hoofdzaak bepaald door:
de detector de oscillator de hf-versterker de lf-versterker
 
39 - Van een telegrafie-ontvanger is de middenfrequentie 756 kHz.
       Om een A1A signaal (morse, onderbroken draaggolf) hoorbaar te maken heeft de BFO een frequentie van:
1 kHz 756 kHz 757 kHz 856 kHz
 
40 - Een squelch-schakeling dient om:
de gevoeligheid van de ontvanger te vergroten vonkstoringen te onderdrukken ruis te onderdrukken als geen signaal wordt ontvangen spiegelfrequentie(s) te onderdrukken
 
41 - Een superheterodyne ontvanger is afgestemd op 800 kHz.
        De oscillatorfrequentie is 1255 kHz.
        De spiegelfrequentie is:
2055 kHz 1710 kHz 455 kHz 345 kHz
 
42 - Een zender voor 144 MHz werkt met een kristaloscillator op 18 MHz.
        Indien de oscillatorfrequentie 1 kHz verloopt, verloopt de zendfrequentie:
1 kHz 8 kHz 18 kHz 144 kHz
 
43 - Als gevolg van niet-lineariteit in een zendereindtrap ontstaat:
intermodulatie extra warmteontwikkeling frequentiemodulatie frequentie-instabiliteit
 

44 - Een halvegolf-open-dipool wordt op dezelfde plaats vervangen door een halvegolf-gevouwen-dipool.

        In beide gevallen is het door de antenne uitgestraalde vermogen 100 watt op 14,1 MHz.
        Het op 1000 km afstand ontvangen signaal:

wordt onneembaar wordt zwakker wordt sterker verandert niet
 

45 - In welke figuur is de aanpassing juist?

        

A B C D
 
46 - Een dipmeter kan worden gebruikt voor het meten van:
het stuurvermogen van de eindtrap van een
zender
de resonantiefrequentie van een kring de nauwkeurigheid van een digitale
frequentiemeter
de vervorming van een lineaire versterkertrap.
 
47 - Een coaxiale kabel heeft een werkelijke lengte van 8 meter.
        De verkortingsfactor is 0,8.
        Bij een frequentie van 150 MHz is de elektrische lengte:
2 golflengten 3,2 golflengten 5 golflengten 10 golflengten
 

48 - De staandegolfmeter (SGM) is gemaakt voor een impedantie van 50 ohm.
        De antenne-aanpassingseenheid (ATU) wordt zo afgeregeld dat de staandegolfmeter 1 aanwijst.

       

Er is nu een staandegolfverhouding van 1 bereikt in:

kabel 1 en kabel 2 alleen kabel 1 alleen kabel 2 geen van beide kabels
 
49 - Als er rondom een kortegolf-zendantenne een dode zone aanwezig is, dan is de zendfrequentie:
lager dan de laagst bruikbare frequentie lager dan de kritische frequentie gelijk aan de kritische frequentie hoger dan de kritische frequentie
 

50 - Door een 15-meter zender wordt een ongewenst signaal van 63 MHz uitgestraald, waardoor de

       televisie-ontvangst op deze frequentie wordt gestoord.
        De storing kan worden voorkomen door:

tussen de zender en de voedingslijn naar de antenne een
laagdoorlatend filter op te nemen
een sperfilter voor 63 MHz op te nemen in de
antenneleiding van de TV-ontvanger
de eindtrap van de zender in symmetrische schakeling uit
te voeren
de staandegolfverhouding te verbeteren