N-Examen

1. Onafhankelijk van de waarden van de onderdelen geldt bij resonantie:


2. In de "gebruikersbepalingen" wordt onder het radiostation verstaan:

3. De schakeling wordt aangesloten op een batterij van 40 volt.

De stroom die de batterij levert is:


4. Een micro-amperemeter kan geschikt worden gemaakt voor het meten van een spanning van enige volts door:

5. De weerstand van een seriekring in resonantie is:

6. Een zender werkt op een golflengte van 150 meter.

De frequentie is:

7. Wanneer in een geluidinstallatie laagfrequentdetectie optreedt als gevolg van een nabije EZB-zender, die gemoduleerd wordt met spraak, klinkt dat als:

8. Om de resonantiefrequentie van een afgestemde kring met een instrument te bepalen wordt gebruik gemaakt van een:

9. Fading in de HF-banden (3-30 MHz) kan worden veroorzaakt door:

10. Een zenerdiode wordt meestal toegepast om een:

11. Het zendvermogen van een zender is instelbaar van 1 tot 50 watt.
De zender kan werken van 144-148 MHz.

Mag een radiozendamateur met een N-registratie dit apparaat gebruiken?

12. De stroom die een gelijkstroomvoeding levert wordt met een universeelmeter gemeten.

De meter gedraagt zich als een:

13. In het geval van een FM-zender wordt volgens de "gebruikersbepalingen" onder zendvermogen verstaan:

14. Een radiozendamateur maakt vanuit de auto een verbinding op 2 meter.
Tot zijn schrik merkt hij dat hij een zakelijke afspraak niet kan nakomen.
Hij vraagt aan de radiozendamateur met wie hij verbinding heeft dit telefonisch door te geven.

Dit is:

15. Door een weerstand loopt een stroom.
Hierdoor ontstaat over deze weerstand een spanning van 12 volt.
De stroom wordt vier maal zo groot gemaakt.

De spanning wordt dan:
16. de zelfinductie van de spoel in de kring van de eindtrap van een 145 MHz zender is over het algemeen:

17. Op de ontwerpfrequentie zal deze yagi-antenne de meeste energie uitzenden naar:


18. In een CW-zender is het modulerende signaal een:

19. Een seriekring heeft:

20. Dit is het blokschema van een ontvanger.

Het blokje gemerkt met X stelt voor:


21. Condensatoren met een grote capaciteit zijn:

22. Een nadeel van een kwartgolf draadantenne zonder voedingslijn is:

23. Een 2-meter zender stoort de ontvangst van TV-signalen in de UHF-band.

Deze storing wordt meestal veroorzaakt doordat van de zender:

24. In R2 wordt 20 watt gedissipeerd.

In R1 wordt dan gedissipeerd:


25. een bandfilter past men toe in:

26. Een amateurzender veroorzaakt storing in een elektronisch orgel.

De oorzaak hiervan kan zijn:

27. Overdag is een noord-zuid radioverbinding over 10.000 km vrijwel steeds mogelijk op:

28. Bewering 1:
Een dubbelzijband AM-zender wordt gemoduleerd met een spraaksignaal.
De klasse van uitzending is J3E.
Bewering 2:
Een FM-zender wordt gemoduleerd met een spraaksignaal.
De klasse van uitzending is F3E.

Wat is juist?

29. Een radiozendamateur met een N-registratie mag:

30. Een geregistreerde radiozendamateur koopt een tweedehands mobilofoon, werkend in de band 146 - 174 MHz.
Hij wijzigt het frequentiebereik in 144 -172 MHz.

Het gebruik van dit apparaat is:

31. De voornaamste functie van een lf-versterker in een ontvanger is het vergroten van:

32. De golflengte van een signaal, dat gereflecteerd wordt door de F-laag, kan zijn:

33. Een hf-oscillator moet elektrisch en mechanisch stabiel zijn om te bereiken dat de oscillator geen:

34. Het frequentiebereik van een ontvanger loopt van 144 tot 146 MHz.
De middenfrequentie is 10 MHz.

Het frequentiebereik van de oscillator kan zijn:

35. Een weerstand kan gemaakt zijn van:

36. Een middenfrequentversterker:

37. De eenheid van zelfinductie is:

38. Halfgeleidend materiaal wordt het meest toegepast in een:

39. Een spoel is aangesloten op een sinusvormige wisselspanning.

Juist is:

40. Tijdens een experiment komt een persoon met z`n handen in contact met een draad onder hoge spanning en kan deze niet meer loslaten.

Welke handeling verricht u om deze persoon te helpen?