N-Examen Nieuwe Stijl

1. De gebruikelijke bandbreedte van een amateur FM-telefoniesignaal is:
A. groter dan 30 kHz B. kleiner dan 2 kHz C. 10 a 20 kHz


2. De zelfinductie van een spoel:
A. neemt toe bij meer windingen B. neemt af bij meer windingen C. is niet afhankelijk van het aantal windingen


3. Deze LC-kring, parallel aan de ingang van de ontvanger, dient om:

A. een storend signaal uit te filteren B. de bandbreedte van de ontvanger te vergroten C. de bandbreedte van de ontvanger te verkleinen


4. Een amateurzender veroorzaakt storing in een elektronisch orgel.

De oorzaak hiervan kan zijn:
A. in het orgel treedt ongewenste detectie op B. de zender heeft een te grote bandbreedte C. de zender straalt harmonischen uit


5. Bewering 1:
Een dubbelzijband AM-zender wordt gemoduleerd met een spraaksignaal.
De klasse van uitzending is A1A.
Bewering 2:
Een FM-zender wordt gemoduleerd met datasignalen.
De klasse van uitzending is F1D.

Wat is juist?
A. alleen bewering 2 B. alleen bewering 1 C. bewering 1 en bewering 2


6. aansluiting 1 is de:

A. basis B. collector C. emitter


7. Een weerstand van 100 ohm kan gemaakt zijn van:
A. nikkel B. teflon C. polystyreen


8. De antennevoedingslijn die het best dicht bij metalen objecten kan worden toegepast is:
A. coaxiale kabel B. twin-lead C. open lijn


9. Radioverbindingen in de 2-meter band tussen stations op aarde vinden in het algemeen plaats via de:
A. ionosfeer B. troposfeer C. stratosfeer


10. De meest gebruikte impedantie van kunstantennes voor VHF is:
A. 25 Ω B. 50 Ω C. 100 Ω


11. Bij een frequentie van 200 MHz behoort een golflengte van:
A. 3 meter B. 0,75 meter C. 1,5 meter


12. Drie condensatoren van 30 nanofarad worden in serie geschakeld.

De vervangingscapaciteit is:
A. 90 nanofarad B. 30 nanofarad C. 10 nanofarad


13. De communicatie tussen amateurstations mag geen berichten bevatten:
A. met opmerkingen van persoonlijke aard B. ten behoeve van of voor derden C. van gering belang


14. Aan de antenne-ingang van een TV-ontvanger, geschikt voor frequenties tot 900 MHz, wordt een voorziening geplaatst om oversturing door een 13-cm amateurzender te voorkomen.

Dit moet zijn een:
A. hoogdoorlaatfilter B. laagdoorlaatfilter C. breedbandversterker


15. Een superheterodyne-ontvanger ontvangt een FM-signaal met een frequentiezwaai van 3 kHz.

De frequentiezwaai in de middenfrequentversterker is:
A. 1,5 kHz B. 3 kHz C. 6 kHz


16. Welke karakteristiek behoort bij een hoogdoorlaatfilter?

A. karakteristiek 1 B. karakteristiek 2 C. karakteristiek 3


17. Van een wisselstroom wijzigt de stroomrichting 3.500.000 maal per seconde van richting.

De frequentie bedraagt:
A. 7000 kHz B. 1750 kHz C. 3500 kHz


18. Van welke schakeling is de vervangingscapaciteit 10 µF?

A. schakeling 3 B. schakeling 2 C. schakeling 1


19. De mogelijke waarde van een 200 ohm weerstand met een tolerantie van 10% ligt tussen:
A. 195 en 205 Ω B. 190 en 210 Ω C. 180 en 220 Ω


20. Hoe lang moeten de parasitaire elementen X, Y en Z zijn?

A. X = 92cm; Y = 102cm; Z = 105cm B. X = 91cm; Y = 92cm; Z = 102cm C. X = 105cm; Y = 102cm; Z = 92cm


21. De modulatiemethode voor spraak met de kleinste bandbreedte is:
A. enkelzijbandmodulatie B. frequentiemodulatie C. dubbelzijbandmodulatie


22. De spanning die een gelijkstroomvoeding levert wordt met een universeelmeter gemeten.

De meter gedraagt zich als een:
A. isolator B. weerstand met hoge waarde C. weerstand met lage waarde


23. Een potentiometer is:
A. een weerstand met verplaatsbare aftakking B. een meetinstrument voor het meten van potentiaalverschil C. een meetinstrument voor het meten van weerstand


24. De vervangingsweerstand van twee weerstanden parallel:
A. is altijd groter dan de waarde van de grootste weerstand B. ligt tussen de waarde van de twee weerstanden in C. is altijd kleiner dan de waarde van de kleinste weerstand


25. Een bgreedband antenneversterker is aangesloten tussen een TV-antenne en een TV-ontvanger.
Bij het inschakelen van de hf-amateurzender worden alle kanalen gestoord.

Deze storing is in het algemeen op te heffen door;
A. een banddoorlaatfilter achter de versterker te plaatsen B. een laagdoorlaatdilter voor de versterker te plaatsen C. een hoogdoorlaatfilter voor de versterker te plaatsen


26. HF-signalen zijn over lange afstand veelal onderhevig aan snelle fading.

Dit wordt veroorzaakt door onregelmatigheid van:
A. de demping in de D-laag B. reflecties op de zee-oppervlakte C. de reflecties in de F-laag


27. De hoogste werkelijke waarde van een 220 ohm 5% weerstand kan bedragen:
A. 209 Ω B. 225 Ω C. 231 Ω


28. Dit is het blokschema van een ontvanger.

Het blokje gemerkt met X stelt voor:

A. de middenfrequentversterker B. de hoogfrequentversterker C. de oscillator


29. Door een weerstand loopt een stroom.
Hierdoor ontstaat over deze weerstand een spanning van 12 volt.
De stroom wordt vier maal zo groot gemaakt.

De spanning wordt dan:
A. 48 V B. 24 V C. 3 V


30. Voor optimale ontvangst van een in frequentie gemoduleerd telefoniesignaal met een frequentiezwaai van 3 kHz moet de ontvanger een bandbreedte hebben van ongeveer:
A. 12 kHz B. 50 kHz C. 3 kHz


31. De gebruikelijke waarde van een afstemcondensator voor kortegolftoepassingen is:
A. 1 pF B. 10 nF C. 100 pF


32. Een radiozendamateur met een N-registratie wil bij een radiozendamateur met F-registratie zenden op een frequentie van 1297 MHz.

Dit is:
A. toegestaan, mits de radiozendamateur met de N-registratie de roepletters van de radiozendamateur met de F-registratie gebruikt B. niet toegestaan C. toegestaan, mits de radiozendamateur met de F-registratie aanwezig is bij het radiozendapparaat


33. Welke karakteristiek behoort bij een banddoorlaatfilter?

A. karakteristiek 2 B. karakteristiek 1 C. karakteristiek 3


34. Een gebruikelijke waarde voor een variabele condensator is:
A. 10 nanofarad B. 1 microfarad C. 100 picofarad


35. Een superhetrodyne-ontvanger is zodanig afgestemd, dat een antennesignaal van 12 MHz kan worden ontvangen.
De middenfrequentie is 1,5 MHz.

De oscillatorfrequentie van deze ontvanger is:
A. 9 MHz B. 15 MHz C. 10,5 MHz


36. Een ontvanger is afgestemd op 144 MHz.
De oscillator werkt hierbij op 134 MHz.
Vervolgens wordt de oscillator afgestemd op 135 MHz.

Nu is de ontvanger afgestemd op;
A. 143 MHz B. 146 MHz C. 145 MHz


37. Een balansmodulator wordt toegepast in een:
A. EZB-zender B. FM-zender C. AM-zender


38. De roepletters moeten worden uitgezonden:
A. bij het begin en het einde van elke uitzending ten minste twee maal en tijdens de uitzending een maal per 5 minuten B. bij het begin en het einde van elke uitzending ten minste een maal en tijdens de uitzending een maal per 5 minuten C. bij het begin en het einde van elke uitzending ten minste een maal en tijdens de uitzending een maal per 10 minuten


39. Een radiozendamateur laat voor een georganiseerd radioamateur-peilevenement zijn zender werkend achter in het bos.

Dit is:
A. toegestaan B. niet toegestaan C. uitsluitend toegestaan als hiervoor toestemming van Agentschap Telecom is verkregen


40. Men wil de gelijkspanning over de weerstand R met een voltmeter meten.

De aanwijzing is het nauwkeurigst indien de weerstand van de meter:

A. zo laag mogelijk is B. 10 kΩ bedraagt C. zo hoog mogelijk is