N-Examen Nieuwe Stijl
1
. Een zender werkt op een golflengte van 150 meter.
De frequentie is:
A.
2 MHz
B.
0,5 MHz
C.
200 kHz
2
. Als laagfrequentversterker kan het best worden gebruikt:
A.
schema 2
B.
schema 3
C.
schema 1
3
. In R1 wordt 36 watt aan warmte ontwikkeld.
de warmte ontwikkeling in R2 bedraagt:
A.
18 W
B.
9 W
C.
36 W
4
. Een zendereindtrap is afgesloten met een belastingsweerstand.
Het afgegeven hoogfrequentvermogen wordt bepaald door vermenigvuldiging van de waarden aangewezen door de meters:
A.
3 en 4
B.
1 en 4
C.
1 en 2
5
. Een yagi-antenne heeft een director.
Door het bijplaatsen van directoren:
A.
neemt het richteffect af
B.
neemt het richteffect toe
C.
blijft het richteffect gelijk
6
. Een van deze toepassingen van een transformator is niet juist:
A.
aanpassen van antenne aan kabel
B.
versterken van vermogen
C.
wijzigen van wisselspanning
7
. Een 2-meter zender veroorzaakt storing in de ontvangst van een UHF-televisie uitzending.
De oorzaak hiervan is:
A.
een te grote frequentiezwaai van de 2-meter zender
B.
onvoldoende onderdrukking van harmonischen in de 2-meter zender
C.
geen goede aanpassing van de zendantenne
8
. Een voordeel van enkelzijbandmodulatie vergeleken met frequentiemodulatie is:
A.
de eindtrap van de zender kan in klasse C worden ingesteld
B.
atmosferische storingen zijn minder hinderlijk
C.
er is ruimte voor meer zenders per 100 kHz spectrum
9
. De laagfrequentversterker in een communicatieontvanger:
A.
versterkt het uitgangssignaal van de detector
B.
verzorgt het draaggolfsignaal voor de detector
C.
moduleert het te ontvangen signaal
10
. Een bgreedband antenneversterker is aangesloten tussen een TV-antenne en een TV-ontvanger.
Bij het inschakelen van de hf-amateurzender worden alle kanalen gestoord.
Deze storing is in het algemeen op te heffen door;
A.
een banddoorlaatfilter achter de versterker te plaatsen
B.
een laagdoorlaatdilter voor de versterker te plaatsen
C.
een hoogdoorlaatfilter voor de versterker te plaatsen
11
. De middenfrequentversterker van een superheterodyne-ontvanger:
A.
scheidt de modulatie van het hoogfrequentsignaal
B.
bepaalt de selectiviteit van de ontvanger
C.
scheidt de oscillator en de mengtrap van elkaar
12
. Volgens het Internationale Radioreglement is radiocommunicatie tussen amateurstations van verschillende landen:
A.
alleen toegestaan als in het internationale amateuroverleg hierover een overeenkomst is bereikt
B.
verboden indien de administratie van een der betrokken landen heeft laten weten hiertegen bezwaar te hebben
C.
alleen toegestaan voor amateurs die hebben aangetoond teksten in morseschrift correct met de hand te kunnen seinen en correct op het gehoor te kunnen ontvangen
13
. De ITU radio regio II omvat het volgende gebied:
A.
Afrika
B.
Amerika
C.
Azie
14
. Een radiozendamateur met een N-registratie heeft een zelfbouw 2-meter zender met een zendvermogen van maximaal 60 watt.
Het gebruik van deze zender door de N-geregistreerde is:
A.
niet toegestaan
B.
zonder beperkingen toegestaan
C.
alleen toegestaan als het zendvermogen wordt verminderd tot ten hoogste 25 W
15
. In de UHF-band ligt de frequentie:
A.
136 kHz
B.
432 MHz
C.
144 MHz
16
. In R3 wordt een vermogen gedissipeerd van 2 watt.
Het vermogen dat in R1 gedissipeerd wordt is:
A.
4 W
B.
8 W
C.
16 W
17
. Deze L-C schakeling heeft:
A.
zowel een parallel- als een serieresonantiefrequentie
B.
alleen een parallelresonantiefrequentie
C.
alleen een serieresonantiefrequentie
18
. Twee weerstanden R1 en R2 worden parallel geschakeld.
De vervangingswaarde is:
A.
kleiner dan R1 en kleiner dan R2
B.
gelijk aan de som van R1 en R2
C.
gelijk aan het produkt van R1 en R2
19
. Aan de antenne-ingang van een TV-ontvanger, geschikt voor frequenties tot 900 MHz, wordt een voorziening geplaatst om oversturing door een 13-cm amateurzender te voorkomen.
Dit moet zijn een:
A.
hoogdoorlaatfilter
B.
laagdoorlaatfilter
C.
breedbandversterker
20
. De bandbreedte van een FM-signaal:
A.
is afhankelijk van de amplitude en de frequentie van het modulerende signaal
B.
is alleen afhankelijk van de frequentie van het modulerende signaal
C.
is alleen afhankelijk van de amplitude van het modulerende signaal
21
. Op grote afstand van een 21 MHz zender worden rasterstoringen ondervonden in de televisie-ontvangst op kanaal 4 (63 MHz).
De storingen kunnen worden opgeheven door:
A.
frequentiemodulatie in de zender toe te passen
B.
de afscherming van de antennekabel van de televisie-ontvanger te verbeteren
C.
de harmonischen-uitstraling van de zender te verminderen
22
. De wetgever onderscheidt registratie in de catagorieen F en N voor het doen van onderzoekingen door radiozendamateurs.
Dit onderscheid bepaalt uitsluitend de toegestane:
A.
frequentiebanden en zendvermogen
B.
zendvermogen en klasse van uitzendingen
C.
klasse van uitzendingen en de status op de toegestane banden
23
. Het frequentiebereik van een ontvanger loopt van 144 tot 146 MHz.
De middenfrequentie is 10 MHz.
Het frequentiebereik van de oscillator kan zijn:
A.
144 - 146 MHz
B.
154 - 156 MHz
C.
164 - 166 MHz
24
. De stroom die een gelijkstroomvoeding levert wordt met een universeelmeter gemeten.
De meter gedraagt zich als een:
A.
weerstand met lage waarde
B.
weerstand met hoge waarde
C.
isolator
25
. De aansluitingen van een transistor worden genoemd:
A.
emitter, basis en collector
B.
collector, basis en source
C.
basis, emitter en drain
26
. De frequentiestabiliteit van een 2-meter FM-ontvanger wordt bepaald door de:
A.
modulator
B.
FM-detector
C.
oscillator
27
. De henry is de eenheid van:
A.
capaciteit
B.
frequentie
C.
zelfinductie
28
. Dit is het schema van een:
A.
hoogdoorlaatfilter
B.
banddoorlaatfilter
C.
laagdoorlaatfilter
29
. Drie weerstanden van elk 300 ohm worden parallel geschakeld.
De vervangingswaarde is:
A.
300 Ω
B.
900 Ω
C.
100 Ω
30
. Een radiozendamateur beluistert een radioverbinding tussen twee andere radiozendamateurs.
Het (her)uitzenden van de opgevangen informatie is:
A.
toegestaan, als deze informatie betrekking heeft op technische onderzoekingen
B.
zonder meer toegestaan
C.
nooit toegestaan
31
. Een voordeel van frequentiemodulatie vergeleken met enkelzijbandmodulatie is:
A.
er is ruimte voor meer zenders per 100 kHz spectrum
B.
minder last van impulsvormige storingen
C.
de bandbreedte van de ontvanger kan kleiner zijn
32
. Welk schema stelt een resonantiekring voor?
A.
schema 1
B.
schema 3
C.
schema 2
33
. Een 2-meter zender stoort de ontvangst van TV-signalen in de UHF-band.
Deze storing wordt meestal veroorzaakt doordat van de zender:
A.
de frequentiezwaai te groot is
B.
de frequentie niet stabiel is
C.
de harmonischen-onderdrukking onvoldoende is
34
. Binnen het kader van de amateurdienst is de Nederlandse radiozendamateur bevoegd:
A.
uitzendingen te doen ten behoeve van de begeleiding van sportmanifestaties
B.
technische onderzoekingen te doen op frequentiebanden die daarvoor zijn aangewezen
C.
technische onderzoekingen te doen met persoonlijk oogmerk en met geldelijke interesse
35
. Een TV-toestel ondervindt op de meeste kanalen storing van een amateurradiozender werkend in de 50 MHz band.
De meest waarschijnlijke oorzaak is:
A.
de ingangstrap van de TV wordt overbelast
B.
de zender straalt harmonischen uit
C.
bij de TV ontbreekt een laagdoorlaatfilter
36
. Het middenfrequentfilter in een ontvanger dient voor:
A.
detectie van het laagfrequentsignaal
B.
onderdrukking van de spiegelfrequentie
C.
verbetering van de selectiviteit
37
. De golflengte van een signaal, dat gereflecteerd wordt door de F-laag, kan zijn:
A.
10 m
B.
1 m
C.
10 cm
38
. De lengte van een halvegolf dipool voor de 7 MHz band is ongeveer:
A.
20,4 M
B.
40,8 M
C.
10,2 M
39
. De vervangingsweerstand is:
A.
10 Ω
B.
2,5 Ω
C.
40 Ω
40
. De communicatie tussen amateurstations mag geen berichten bevatten:
A.
met opmerkingen van persoonlijke aard
B.
ten behoeve van of voor derden
C.
van gering belang