inleiding examens

Proefexamen  N voorjaarjaar 2008


1- Veiligheidsaarde wordt aangebracht met als doel:

de antenne-retourstroom mogelijk te maken het chassis (massa) van de zendinstallatie op
aardpotentiaal te brengen
een mogelijk potentiaalverschil tussen de nul van
het net en aarde op te heffen
 

2 - Tijdens een morse-verbinding vraagt het tegenstation naar de neembaarheid van de door u ontvangen signalen.
      U gebruikt in het antwoord de Q-code:

QRK QRX QRZ
 

3 - Bij een berichtenwisseling tussen amateurstations hoort u "UR MSG".
     Dit betekent:

uw bericht vorig bericht volgend bericht
 

4 - Voor roepletters van radiostations is aan Nederland de letterserie toegewezen:

PHA t/m PKZ PAA t/m PIZ PIZ t/m PKZ
 

5 - Een amateurstation zendt in spraak in de klasse van uitzending F3E.


     Voor de voorgeschreven identificatie geldt dat het radiostation mag uitzenden in:

alleen in F3E onder andere in F3E, G3E en R3E

in elke klasse van uitzending

 

6 - Een radiozendamateur ondervindt storing van een radiostation dat niet bevoegd is met hem radioverbindingen te maken.

     Om dit station hierover te informeren brengt de radiozendamateur hiermee een radioverbinding tot stand.

    
     Dit is:

toegestaan als de amateurdienst in die
frequentieband een primaire status heeft
toegestaan als de amateurdienst in die
frequentieband een secundaire status heeft
niet toegestaan
 
7 - De roepletters G5BEQ worden volgens het spellingalfabet gespeld als:
Golf Vijf Bravo Echo Quebec George Vijf Bravo Echo Quebec Golf Vijf Baker Echo Quebec
 

8 - IARU-bandplannen dienen om:

de bandbreedte van amateuruitzendingen te beperken aan iedere amateur een vaste frequentie toe te
wijzen
de storingen tussen amateurstations onderling te
verminderen
 

9 - U bent heel ambitieus en besluit zelf een 2 meter zender te gaan bouwen.
     Zodra de zender zover is dat u er een signaal mee kunt uitzenden:

gaat u dit zonder meer proberen en direct een
verbinding maken
doet u een algemene oproep op 2 meter met het
verzoek of iemand u verder kan helpen
sluit u een kunstantenne aan om te kijken hoe de
zender werkt zonder een signaal uit te zenden
 

10 - De symbolen Q1 en Q2 in dit schema stellen voor:

       

NPN transistoren PNP transistoren N-kanaal veldeffecttransistoren
 

11 - In Nederland is de frequentie van het lichtnet:

50 Hz 230 Hz 380 Hz
 

12 - Elektromagnetische golven met een frequentie van ongeveer 1,8 MHz:

zijn uitermate geschikt om afstanden van meer dan
10.000 km te overbruggen
geven bij afstanden van meer dan 500 km in het
algemeen 's nachts een betere ontvangst dan overdag
worden gereflecteerd als gevolg van temperatuurinversie
 

13 - De juiste volgorde van toenemende bandbreedte is:

CW, FM-telefonie, EZB-telefonie CW, EZB-telefonie, FM-telefonie EZB-telefonie, FM-telefonie, CW
 

14 - Wanneer de frequentie van een radiogolf wordt verlaagd, dan:

wordt de golflengte groter blijft de golflengte constant wordt de golflengte kleiner
 

15 - Een voordeel van frequentiemodulatie vergeleken met enkelzijbandmodulatie is:

minder last van impulsvormige storingen de bandbreedte van de ontvanger kan kleiner zijn er is ruimte voor meer zenders per 100 kHz spectrum
 

16 - In de schakeling zijn alle weerstanden 100 ohm.
        In R2 wordt een vermogen gedissipeerd van 1 watt.

       

        In R1 wordt een vermogen gedissipeerd van:

1 W 2 W 4 W

17 - De waarde van deze weerstand is:

       

1 W 10 W 100 W
 
18 - De hoogfrequent verliezen van een condensator zijn het kleinst indien als diëlectricum wordt toegepast:
olie lucht papier
 
19 - De zelfinductie van de spoel in de kring van de eindtrap van een 145 MHz zender is over het algemeen:
veel groter dan die van een 28 MHz zender ongeveer gelijk aan die van een 28 MHz zender veel kleiner dan die van een 28 MHz zender
 

20 - Eén van deze toepassingen van een transformator is niet juist:

aanpassen van antenne aan kabel versterken van vermogen wijzigen van wisselspanning
 

21- De schakeling is een:

      

detector stabilisator laagdoorlaatfilter
 

22 - Als transistor-oscillator kan het best worden gebruikt schakeling:

       

A B C
 

23 - Alle condensatoren hebben een capaciteit van 6 µF.

      

        In welke schakeling is de capaciteit tussen X en Y kleiner dan 3 µF ?

A B C
 

24 - Indien bij een seriekring de zelfinductie en de capaciteit beiden 2x zo groot worden gemaakt, zal de resonantiefrequentie:

2x hoger worden gelijk blijven 2x lager worden
 

25 - Welke filter-karakteristiek is geschikt voor een telefonie SSB-zender?

       

A B C
 

26 - Met een superheterodyne ontvanger wordt een signaal ontvangen van 1 MHz.

        De oscillatorfrequentie is 550 kHz.

       

        De middenfrequentversterker is afgestemd op:

1,5 MHz 0,55 MHz 0,45 MHz
 

27 - De bandbreedte van een FM-ontvanger wordt bepaald door:

de oscillatorkring het mf-filter de antennekring
 

28 - De automatische versterkingsregeling van een ontvanger regelt de:

detector oscillator middenfrequentversterker
 

29 - Een balansmodulator wordt toegepast in een:

CW-zender FM-zender EZB-zender
 

30 - Wat is de juiste volgorde van trappen in een FM-zender:

oscillator - frequentievermenigvuldiger -
hoogfrequentversterker - eindtrap
hoogfrequentversterker - oscillator -
frequentievermenigvuldiger - eindtrap
frequentievermenigvuldiger - hoogfrequentversterker
-oscillator -eindtrap
 

31 - Het uitgangsfilter van een zender bevindt zich:

tussen oscillator en verdubbelaar direct voor de eindtrap tussen eindtrap en antennekabel
 
32 - Harmonischen zijn:
variaties van de draaggolffrequentie frequenties op veelvouden van de oorspronkelijke
frequentie
frequenties als gevolg van menging tussen de
oorspronkelijke frequentie en de modulatie
 

33 - Een antenne straalt in het horizontale vlak gelijkmatig in alle richtingen uit.

        Dit kan zijn een:

horizontale halvegolf-dipool dipool met reflector groundplane
 

34 - Bij een antenne met parasitaire elementen (yagi) is de volgorde van de elementen:

gevouwen dipool, reflector, director reflector, director, gevouwen dipool director, gevouwen dipool, reflector
 

35 - Een zender is via een kabel met de antenne verbonden.
        Door het toevoegen van een antennetuner tussen de zender en de kabel kan:

de zender worden afgestemd de antenne aan de kabel worden aangepast de zender aan de antenne-inrichting worden
aangepast
 

36 - Lange-afstand-communicatie op hf-banden wordt mogelijk gemaakt door het afbuigen van radiogolven in de:

ionosfeer troposfeer stratosfeer
 

37 - Een radioverbinding over lange afstand op 145 MHz is mogelijk door:

de ultra-violette zonnestraling temperatuurinversie magnetische stormen
 

38 - De stroom die een gelijkstroomvoeding levert wordt met een universeelmeter gemeten.

       
        De meter gedraagt zich als een:

isolator weerstand met hoge waarde weerstand met lage waarde
39 - Als een digitale universeelmeter als spanningmeter wordt gebruikt is de ingangsweerstand:
zeer hoog 10 k W laag
 

40 - Voor de koppeling van de zender met de antenne wordt vaak coaxiale kabel gebruikt.


        Een belangrijke reden hiervoor is:

lage demping goede staandegolfverhouding afscherming tegen ongewenste straling