F-Examen

1. De gemiddelde waarde van de stroom over het tijdsinterval van 0 tot π/2 seconde is:


2. De gemiddelde waarde van de stroom is:


3. Een condensator wordt aangesloten op een sinusvormige wisselspanning van 15 volt.
Bij een frequentie van 100 Hz is de stroom door de condensator 50 mA.

Indien de frequentie 2000 Hz bedraagt is de stroom:
4. De PLL wekt een in stappen van 12,5 kHz instelbare gemiddelde frequentie op.,br> Het uitgangssignaal Uuit wordt in frequentie gemoduleerd door een audiosignaal.

Het juiste aansluitpunt voor het audiosignaal is:
5. De impedantie van de schakeling is:


6. Bewering 1:
In een zender wordt fasemodulatie toegepast voor het uitzenden van een datakanaal.
De klasse van uitzending is G3E.
Bewering 2:
Via een enkelzijbandzender met onderdrukte draaggolf worden met behulp van een hulpdraaggolf met de hand geseinde morsetekens verzonden.
De klasse van uitzending is J2A.

Wat is juist?
7. De LF-begrenzer in een FM-zender dient om:
8. R12 en R13:


9. De verkortingsfactor van een transmissielijn wordt bepaald door de:
10. een radiozendamateur met een registratie in de catagorie F maakt zijn verbindingen in de 20-meter amateurband.
Zijn zender kan een zendvermogen leveren van maximaal 600 watt.

Het gebruik van deze zender is:

11. De karakteristieke impedantie van de voedingslijn is 50Ω.

De ingangsimpedantie Zi is:


12. Deze karakteristiek heeft betrekking op een:


13. Bij een ingangsspanning van 1 microvolt bedraagt de signaal/ruisverhouding aan de uitgang van een ontvanger 20 dB.

Dit gegeven geeft een beeld van de:

14. Als een digitale universeelmeter als spanningsmeter wordt gebruikt is de ingangsweerstand:

15. Bij een Id = 4 mA en een Ugs = - 3 V behoort een source-weerstand Rs :

16. Een radiozendamateur werkt met CW op 28,01 MHz.
Zijn buurman luistert op 27 MHz en merkt dat de ontvangst van zwakke signalen onderbroken wordt in het seintempo van de amateur.
De waarschijnlijke oorzaak is:
17. Om een hf-radioverbinding over een zo groot mogelijke afstand te kunnen maken wordt een antenne toegepast met een:
18. De weerstanden R1 en R2 zorgen voor:


19. De uitgangsspanning Uuit is:


20. Een ideale voltmeter, geijkt voor gelijkspanning, wordt via een gelijkrichter aangesloten op een sinusvormige wisselspanning met een effectieve waarde van 10 Volt.

De meter zal dan ongeveer aanwijzen:
21. Een zender is afgesloten met een belastingsweerstand van 50 Ω

Het rendement van de eindversterker is ongeveer:


22. Een ontvanger is afgestemd op een zwak AM-signaal dat gemoduleerd is met een toon van 1000 Hz.
Ongeveer 10 kHz hoger is een zeer sterk AM-signaal aanwezig dat gemoduleerd is met 1500 Hz.
Er treedt kruismodulatie op.

U hoort nu in de hoofdtelefoon:

23. Tussen antenne en zender wordt een aan de antenne aangepaste coaxiale kabel met een demping van 9 dB per 100 meter toegepast.

Bij welke kabellengte is het aan de antenne toegevoerde vermogen ongeveer de helft van het zendvermogen?

24. Op de loper van R15 is een sinusvormig signaal aanwezig.
De potentiometer staat in de middenstand.

Het aan de hoofdtelefoon aangeboden signaal:


25. Het doel van een FM-detector in een ontvanger is:

26. De communicatie tussen amateurstations mag GEEN berichten bevatten:

27. Radioverbindingen in de 2-meter band tussen stations op aarde vinden in het algemeen plaats via de:
28. Een open voedingslijn naar een zendantenne dient zelf zo weinig mogelijk te stralen.
De straling van een open voedingslijn kan worden verminderd door:
29. In het afvlakfilter van een netspanninggevoede ontvanger dienen de afvlakcondensatoren een waarde te hebben van ongeveer:

30. De automatische versterkersregeling van een ontvanger regelt de:
31. De roepletters moeten worden uitgezonden:

32. D3 - D6 is een:


33. Bewering 1:
een dubbelzijband AM-zender wordt gemoduleerd met een spraaksignaal.
De klasse van uitzending is F3E.
Bewering 2:
een FM-zender zendt een telegrafiesignaal uit, bestemd voor automatische ontvangst.
De klasse van uitzending is F1B.

Wat is juist?

34. In een enkelzijbandzender wordt een balansmodulator gebruikt, waardoor:
35. Van een spoel is gegeven: L = 0,25 H.

Als f = 100 Hz, dan is XL ongeveer:

36. De juiste uitgangsspanningen X en Y zijn:


37. De nauwkeurigheid van een frequentieteller wordt bepaald door de:

38. De spanning tussen de punten X en Y is:


39. Een ideale enkelzijbandzender wordt met twee even sterke sinusvormige audiosignalen van respectievelijk 800 Hz en 1000 Hz uitgestuurd.
Het uitgangssignaal wordt zichtbaar gemaakt op een oscilloscoop.

Het juiste beeld is:


40. Een staandegolfmeter, opgenomen in de antennekabel van een zender, geeft een indicatie van de:
41. De reikwijdte van een UHF-zender wordt het meest vergroot door:

42. De gebruikelijke bandbreedte van een amateur EZB-telefoniesignaal is:
43. In de uitgang van een FM-zender is een pi-filter geplaatst.
Dit filter heeft als doel:
44. Van een seriekring in resonantie wordt de serieweerstand vergroot van Rs = 10 ohm naar Rs = 20 ohm.

De kwaliteitsfactor Q wordt hierdoor:

45. Als de frequentie wordt verdrievoudigd, dan wordt de ingangsimpedantie:


46. Bewering 1:
Een enkelzijbandzender met onderdrukte draaggolf wordt gemoduleerd met een spraaksignaal.
De klasse van uitzending is G3E.
Bewering 2:
een FM-zender wordt gebruikt voor het uitzenden van een analoog TV-signaal.
De klasse van uitzending is F1D.

Wat is juist?

47. De juiste aansluiting van de gekleurde aders van een 3-aderig snoer in de netstekker is:

48. Juist is:


49. De condensator van 1 μF wordt vervangen door een condensator van 2 μF.
De stroom die de meter dan uiteindelijk aanwijst is:


50. Een enkelzijband-telefoniezender met onderdrukte draaggolf op 28,5 MHz werkt volgens de filtermethode en wordt gemoduleerd met een sinusvormig signaal van 2500 Hz.
De hoge zijband wordt uitgezonden.
In het frequentiespectrum komt de component 28497,5 kHz in sterke mate voor.

Dit wijst op: