N-Examen

1. Aan een frequentieverdrievoudiger wordt een signaal toegevoerd met een zwaai van 1 kHz.

De zwaai van het uitgangssignaal zal zijn:

2. Een van deze toepassingen van een transformator is niet juist:

3. De gebruikelijke naam voor element nr.3 van de yagi-antenne is:


4. De FM-detector in een 2-meter ontvanger dient om:

5. Een radiozendamateur met een N-registratie heeft een zelfbouw 2-meter zender met een zendvermogen van maximaal 60 watt.

Het gebruik van deze zender door de N-geregistreerde is:

6. In een voedingsapparaat wordt de aangeboden netspanning omgezet naar een andere wisselspanning door:

7. Een amateurzender werkt op 2-meter met FM.
Zijn tegenstations melden dat de uitzending sterk vervormd is.
De zender werkt op de juiste frequentie.

De oorzaak van de vervorming is waarschijnlijk:

8. Welke schakeling stelt een banddoorlaatfilter voor?


9. Een enkelzijbandzender werkt met een draaggolfoscillator op 1 MHz.
Het zijbandfilter laat uitsluitend signalen in de lage zijband door.

Voor spraaksignalen met frequenties tussen 300 Hz en 3000 Hz zijn de grenzen van de doorlaatband van dit filter:

10. Het woord "GOLF" wordt volgens het voorgeschreven spellingalfabet gespeld als:

11. Een zender werkt met een klasse van uitzending F3E (FM).
Het gemiddelde vermogen dat door de eindtrap aan de antenne-inrichting wordt afgegeven bedraagt 8 watt.

Volgens de "gebruiksbepalingen" is het zendvermogen:

12. Dit is een schema van een:


13. De secundaire spanning van een transformator:
14. In R1 wordt 36 watt gedissipeerd.

In R2 wordt gedissipeerd:


15. De eenheid van zelfinductie is:

16. De hoogste werkelijke waarde van een 220 ohm 5% weerstand kan bedragen:

17. De schakeling stelt voor:


18. De parasitaire elementen van een yagi antenne zijn:

19. Het spanningsverschil tussen P en Q is:


20. In een CW-zender is het modulerende signaal een:

21. Het woord "KWARTS" wordt volgens het voorgeschreven spellingalfabet gespeld als:

22. De afstand, waarover in de 2-meter band een radioverbinding gemaakt kan worden, wordt soms sterk vergroot door:

23. De modulatievorm welke de minste storing door laagfrequentdetectie veroorzaakt is:

24. De parallelkring is in resonantie.

De impedantie tussen X en Y is:


25. Op een condensator staat aangegeven: 20 µF/16 V.

Dit betekent:

26. De oscillator in een superheterodyne-ontvanger:

27. De stroom die een gelijkstroomvoeding levert wordt met een universeelmeter gemeten.

De meter gedraagt zich als een:

28. Lange afstand HF-signalen zijn veelal onderhevig aan fading.

Dit wordt in het algemeen veroorzaakt door:

29. Audiosignalen bestrijken de frequentieband:

30. Een radiozendamateur laat voor een georganiseerd radioamateur-peilevenement zijn zender werkend achter in het bos.

Dit is:

31. Als een radiozendamateur zijn yagi-antenne in een bepaalde richting zet en gaat zenden, blijkt bij de buren de CD-speler gestoord te worden.
De CD-speler heeft een CE-keurmerk.

De storing is waarschijnlijk het gevolg van:

32. Door frequentievermenigvuldiging van een frequentiegemoduleerd signaal:

33. Een belasting is aangesloten op een spanningsbron.

Wat is de juiste plaats voor een spanningsmeter waarmee we de klemspanning van de spanningsbron willen meten?

34. Welke schakeling wordt als laagdoorlaatfilter gebruikt?


35. In R3 wordt een vermogen gedissipeerd van 2 watt.

Het vermogen dat in R1 gedissipeerd wordt is:


36. In de algemene bepalingen van de Telecommunicatiewet komt de volgende definitie voor:
"(-X-): eigenschap van apparaten, om op bevredigende wijze in hun elektromagnetische omgeving te kunnen functioneren zonder zelf elektromagnetische storing te veroorzaken die ontoelaatbaar zijn voor alles wat zich in die omgeving bevindt."

In plaats van (-X-) staat:
37. De belangrijkste eis, die aan de oscillator van een zender wordt gesteld, is dat:

38. Van een amplitude-gemoduleerde 2-meter zender is de modulatie hoorbaar uit de luidspreker van een TV-ontvanger, zelfs als de volumeregelaar hiervan op minimum is ingesteld.

De juiste conclusie is:

39. Elektromagnetische golven planten zich in de vrije ruimte voort met een snelheid van ongeveer:

40. Bij het doorverbinden van de klemmen X en Y wijst de draaispoelmeter volle uitslag aan.

De uitslag halveert bij aansluiten van een weerstand tussen X en Y met een waarde van: